ECLI:NL:RBDHA:2025:13789

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
NL25.18546
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 lid 5 Vw 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering risico-inschatting Ethiopië

Eiser, van Ethiopische nationaliteit en behorend tot de Oromo-bevolkingsgroep, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing en concludeerde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de politieke context waarin eiser werd mishandeld en gedetineerd.

Eiser had geloofwaardig gemaakt dat hij twee jaar gevangen zat vanwege vermeende betrokkenheid bij het OLF, een politieke beweging, en dat hij vreest voor vervolging en ernstige schade bij terugkeer. De minister achtte de asielmotieven geloofwaardig maar vond geen gegronde vrees voor vervolging, mede omdat eiser na vrijlating een paspoort kon verkrijgen en geen persoonlijke militaire oproep had ontvangen.

De rechtbank oordeelde echter dat de minister het motiveringsbeginsel schond door de politieke context van de mishandeling en detentie niet mee te wegen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat het risico op vervolging of ernstige schade niet reëel is. Het beroep is daarom gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens is de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek bij de risico-inschatting.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18546

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister bij de risico-inschatting, gelet op de eerdere geloofwaardig geachte detentie en mishandeling, onvoldoende rekening heeft gehouden met de politieke context waarin de mishandeling en detentie zich hebben voorgedaan. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 3.1 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt onder 4. Onder 5 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 april 2025 zijn aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij de Ethiopische nationaliteit heeft en tot de Oromo-bevolkingsgroep behoort. Zijn vader is onderdeel van het OLF (Oromo Liberation Front) en is verdwenen. Eiser is eerst mishandeld door de politie en daarna hebben ze hem opgepakt. Vervolgens heeft eiser een vals proces gehad waarbij hij schuldig is bevonden aan het ten val willen brengen van de overheid. Eiser is opgesloten geweest in twee verschillende gevangenissen voor de totale duur van twee jaar. Na twee jaar is hij vrijgelaten. De autoriteiten wilden eiser naar de oorlog sturen. Eiser is daarom ondergedoken en hij heeft uiteindelijk zijn land van herkomst verlaten. Hij vreest voor de Ethiopische overheid en de Prosperity Party.
3.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Detentie en mishandeling.
De minister acht beide asielmotieven geloofwaardig. De geloofwaardig geachte asielmotieven maken alleen niet dat de minister aanneemt dat eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging. Dat eiser afkomstig is uit Ethiopië is op zichzelf niet genoeg om te worden aangemerkt als vluchteling. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door de eerdere detentie en mishandeling dan wel om andere redenen te vrezen heeft voor de Ethiopische autoriteiten bij terugkeer. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser persoonlijk wordt gezocht. Niet wordt gevolgd dat iedereen die uit de gevangenis komt naar de oorlog wordt gestuurd en er is geen sprake van gedwongen rekrutering. Bovendien heeft eiser na zijn vrijlating nog een paspoort kunnen aanvragen en verkregen. Ook dit duidt niet op problemen met de autoriteiten. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
Loopt eiser een reëel risico op vervolging dan wel ernstige schade?
4. Eiser betoogt dat hij een reëel risico loopt op vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Daartoe voert hij allereerst aan dat hij door de autoriteiten als OLF-aanhanger zal worden gezien en wijst hij erop dat zijn vader OLF-aanhanger is, zijn moeder meermaals is mishandeld om erachter te komen waar zijn vader is en dat hij is mishandeld en gedetineerd wegens (vermeende) betrokkenheid bij het OLF. In dit kader wijst hij op een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 11 maart 2025 die ziet op de positie van leden en sympathisanten van de OLF en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 3 juni 2024 [2] . De minister heeft ten onrechte niet getoetst aan de factoren zoals genoemd in het informatiebericht (IB) 2023/77.
Verder gaat de minister er volgens eiser ten onrechte aan voorbij dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering. Ter onderbouwing legt eiser een stuk over van VluchtelingenWerk Nederland van 25 januari 2024 dat ziet op gedwongen rekrutering. Hierin wordt onder meer verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van november 2022 (ambtsbericht van november 2022) waaruit volgt dat er steeds meer berichtgeving is over vermeende gedwongen rekrutering door verschillende partijen, waaronder de Ethiopian National Defense Force (ENDF). In Oromia zou de regionale regering jongeren rekruteren voor het federale leger. Dit beeld wordt bevestigd door verschillende andere bronnen. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 21 maart 2025. [3] In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat in heel Oromia sprake is van gedwongen rekrutering.
Tot slot stelt eiser dat de combinatie van alles wat hij heeft aangevoerd maakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van hoge mate van willekeurig geweld. Immers, men is op zoek naar de vader van eiser, eiser is in het verleden gearresteerd en gedetineerd geweest vanwege zijn betrokkenheid bij OLF en eiser heeft geen gehoor gegeven aan zijn oproep voor de militaire dienst. Hij heeft het land illegaal verlaten. Ook behoort eiser tot de Oromo, terwijl het meeste geweld volgens het ambtsbericht van november 2022 plaatsvond in Oromia vanwege de escalatie van conflicten.
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich allereerst terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op gedwongen rekrutering bij terugkeer naar Ethiopië. De minister wijst er terecht op dat uit het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van 31 januari 2024 (ambtsbericht van januari 2024) blijkt dat er geen berichten zijn van gedwongen rekrutering. [4] Eisers verwijzing naar de het stuk van VluchtelingenWerk Nederland van 25 januari 2024 en de daarin genoemde bronnen leiden niet tot een ander standpunt. Het stuk en de daarin genoemde bronnen dateren namelijk van vóór het ambtsbericht van januari 2024. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij persoonlijk een militaire oproep heeft ontvangen. Ook heeft hij een dergelijke oproep niet met documenten onderbouwd. Daarnaast volgt uit de door eiser aangehaalde bronnen een beeld dat gedwongen rekrutering met name voorkomt onder jongeren en dat er sprake is van rekrutering van kindsoldaten. De minister wijst er terecht op dat eiser een 33-jarige man is en dat uit de aangehaalde bronnen en eisers verklaringen niet volgt dat er een reële kans bestaat dat hij gerekruteerd zal worden. Het beroep op deze bronnen en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 21 maart 2025 slaagt om die reden ook niet. In deze uitspraak ging het namelijk om een gesteld minderjarige en is alleen om die reden al niet vergelijkbaar met de zaak van eiser. Bovendien was de vader van de vreemdeling in die zaak gevraagd de vreemdeling naar het front te sturen. Ook dat is hier niet het geval. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat geen sprake is van een vergelijkbaar geval. Daar komt bij dat aan eiser niet enkel is tegengeworpen dat uit openbare bronnen niet blijkt dat er sprake zou zijn van gedwongen rekrutering in Oromia. Aan hem is ook tegengeworpen dat zijn verklaringen over zijn vrees voor een gedwongen rekrutering te algemeen zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
4.2.
Verder wijst de minister er terecht op dat eiser niet heeft aangegeven politiek actief te zijn bij OLF. Hij heeft in 2012/2013 alleen een eenmalige gelddonatie aan het OLF gedaan. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat geen aanleiding bestond om te toetsen aan IB 2024/10 (werkwijze politieke overtuiging, opvolger van IB 2023/77). Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank [5] , zittingsplaats Rotterdam van 3 juni 2024 slaagt dan ook niet. Ook is niet gebleken dat eiser in Nederland politiek actief is of dat hij bij terugkeer naar Ethiopië het plan heeft om politiek actief te worden. Zijn zaak verschilt daarom van de aangehaalde rechtbankuitspraak, zodat het beroep daarop niet kan slagen.
De rechtbank is echter, anders dan de minister, van oordeel dat dit niet betekent dat aan de (vermeende betrokkenheid bij het) OLF geen betekenis toekomt bij de beoordeling van wat eiser stelt te vrezen bij terugkeer naar zijn land van herkomst (de zogenaamde risico-inschatting). Dit legt zij hierna uit.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister de detentie en mishandeling door de Ethiopische autoriteiten geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft op zitting aan de minister de vraag gesteld hoe de afwijzing van de aanvraag zich verhoudt tot het bepaalde in artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000. Hierin is bepaald dat als een vreemdeling in zijn land van herkomst is blootgesteld aan ernstige schade of vervolging dit een duidelijke aanwijzing vormt dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Dit is alleen anders als er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. De bewijslast om aan te nemen dat die vervolging of die schending van artikel 3 van Pro het EVRM zich niet opnieuw zal voordoen, ligt in dat geval bij de minister. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij het niet aannemelijk acht dat eiser (nog) in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten. De minister heeft er in de besluitvorming en op zitting op gewezen dat eiser na zijn vrijlating pas na zes maanden is ondergedoken vanwege het ongeloofwaardig geachte risico voor gedwongen rekrutering, zonder problemen een paspoort en een geboorteakte heeft verkregen en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment gezocht wordt door de Ethiopische autoriteiten. De rechtbank begrijpt deze toelichting zo dat de minister zich op het standpunt stelt dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Dat de mishandeling en detentie een daad van vervolging dan wel ernstige schade oplevert in de zin van artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 betwist de minister blijkbaar niet.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er in de specifieke situatie van eiser, gelet op de voorgeschiedenis van hetgeen hij heeft meegemaakt in Ethiopië, geen goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging dan wel ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Hiertoe acht zij het volgende van belang. De minister heeft ter zitting toegelicht dat hij er bij de risico-inschatting van uit is gegaan dat de geloofwaardig geachte detentie en mishandeling door de autoriteiten niet was gelegen in lidmaatschap dan wel betrokkenheid van eiser bij het OLF. De minister heeft erop gewezen dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat het willekeurig was wie destijds is opgepakt. [6] De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee miskent dat eiser heeft verklaard dat de detentie en mishandeling door de autoriteiten zich hebben voorgedaan in een specifieke politieke context. Eiser is Oromo en afkomstig uit Oromia. Eiser heeft verklaard dat na de dood van Ethiopische zanger [naam zanger] (afkomstig uit Oromo), rellen zijn ontstaan in Oromia waarna de autoriteiten kantoren en bezittingen van Oromo’s in brand hebben gestoken. Veel Oromo’s, waaronder eiser, zijn opgepakt en mishandeld. Eiser heeft verder verklaard dat de mishandeling en detentie politiek waren gemotiveerd. De autoriteiten zouden dit hebben gedaan omdat ze bang waren dat het OLF aan de macht kwam. [7] Eiser heeft verklaard dat de Oromo’s door de autoriteiten als aanhanger van het OLF worden gezien en zichzelf ook zo te zien. Hij verklaart hierover ‘
Wij zijn OLF. De hele Oromo is OLF’en
‘Ik ben als Oromo geboren, dus gelijk aan de OLF’. [8] Ook hij wordt ervan verdacht aanhanger van de OLF te zijn, zo verklaart hij. [9] De context waarin de detentie en mishandeling van eiser hebben plaatsgevonden is niet onderkend door de minister en als gevolg daarvan ook niet (kenbaar) meegewogen in de beoordeling van de vraag of er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging dan wel ernstige schade zich niet wederom zal voordoen. De minister heeft er op zitting nog op gewezen dat de stelling dat eiser is gedetineerd wegens vermeende betrokkenheid bij het OLF niet volgt uit de vertaling van het strafrechtelijk vonnis zoals hij dit in beroep heeft overgelegd. Anders dan de andere verdachten is eiser namelijk niet veroordeeld wegens opruiing tijdens een vreedzame demonstratie tegen de autoriteiten, maar vanwege het stelen van graan. Dit maakt echter niet dat aan de verklaringen van eiser geen waarde kan worden gehecht. Daartoe acht de rechtbank allereest van belang dat deze verklaringen geloofwaardig zijn geacht en de basis hebben gevormd voor de risico-inschatting van de verklaringen van eiser. Daar komt bij dat eiser tijdens het gehoor en ook op zitting heeft verklaard onder valse voorwendselen te zijn beschuldigd en veroordeeld. [10] Dit heeft eiser op zitting nog eens herhaald.
De rechtbank acht de context van de mishandeling en detentie van belang omdat dit relevant is voor de beoordeling van het risico op vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer. Uit de door eiser aangehaalde landinformatie blijkt namelijk dat personen die eerder gedetineerd zijn geweest omdat ze ervan verdacht worden betrokken te zijn bij het OLF een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [11] Bovendien heeft eiser verklaard dat zijn moeder meermaals door de autoriteiten is mishandeld omdat zijn vader lid is van het OLF en hij werd gezocht. Dat eiser na zijn vrijlating tot aan zijn vertrek uit Ethiopië geen problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten acht de rechtbank dan ook niet zonder meer voldoende om aan te nemen dat zich bij terugkeer geen problemen zullen voordoen. In deze beoordeling heeft de minister immers geen oog gehad voor de politieke context waarin de eerdere vervolging heeft plaatsgevonden. Deze context is tot op heden niet significant veranderd.
4.5. Omdat de besluitvorming ten aanzien van de risico-inschatting een motiveringsgebrek kent, kan de rechtbank niet goed beoordelen of de daarop volgende beoordeling van de zwaarwegendheid (de vraag of het aangenomen risico van zodanig gewicht is dat gesproken kan worden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel schending van artikel 3 EVRM Pro) juist is geweest. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is reeds hierom gegrond zodat de rechtbank niet meer zal ingaan op de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden.

Conclusie en gevolgen

5. Uit rechtsoverweging 4.3. tot en met 4.5 volgt dat het beroep gegrond is en dat het besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister moet met inachtneming van deze uitspraak binnen acht weken een nieuw besluit nemen.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van € 907 per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak binnen acht weken een nieuw besluit te nemen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Rb. Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 3 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5073, zaaknummer NL21.17095.
3.Rb. Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 21 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:4912.
4.Algemeen Ambtsbericht Ethiopië 2024 (pagina 38).
5.Rb. Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 3 juni 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:5073, zaaknummer NL21.17095.
6.De minister wijst op p. 16 van het nader gehoor.
7.P. 16 van het nader gehoor.
8.P. 13 en p. 21 van het nader gehoor.
9.P. 13 rapport nader gehoor.
10.P. 17 van het nader gehoor.
11.UK Home Office van maart 2022, Country Policy and Information Note Ethiopia: Oromos, the Oromo Liberation Front and the Oromo Liberation Army, p.11.