Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Verder gaat de minister er volgens eiser ten onrechte aan voorbij dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering. Ter onderbouwing legt eiser een stuk over van VluchtelingenWerk Nederland van 25 januari 2024 dat ziet op gedwongen rekrutering. Hierin wordt onder meer verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Ethiopië van november 2022 (ambtsbericht van november 2022) waaruit volgt dat er steeds meer berichtgeving is over vermeende gedwongen rekrutering door verschillende partijen, waaronder de Ethiopian National Defense Force (ENDF). In Oromia zou de regionale regering jongeren rekruteren voor het federale leger. Dit beeld wordt bevestigd door verschillende andere bronnen. Ook verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 21 maart 2025. [3] In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat in heel Oromia sprake is van gedwongen rekrutering.
Tot slot stelt eiser dat de combinatie van alles wat hij heeft aangevoerd maakt dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van hoge mate van willekeurig geweld. Immers, men is op zoek naar de vader van eiser, eiser is in het verleden gearresteerd en gedetineerd geweest vanwege zijn betrokkenheid bij OLF en eiser heeft geen gehoor gegeven aan zijn oproep voor de militaire dienst. Hij heeft het land illegaal verlaten. Ook behoort eiser tot de Oromo, terwijl het meeste geweld volgens het ambtsbericht van november 2022 plaatsvond in Oromia vanwege de escalatie van conflicten.
De rechtbank is echter, anders dan de minister, van oordeel dat dit niet betekent dat aan de (vermeende betrokkenheid bij het) OLF geen betekenis toekomt bij de beoordeling van wat eiser stelt te vrezen bij terugkeer naar zijn land van herkomst (de zogenaamde risico-inschatting). Dit legt zij hierna uit.
Wij zijn OLF. De hele Oromo is OLF’en
‘Ik ben als Oromo geboren, dus gelijk aan de OLF’. [8] Ook hij wordt ervan verdacht aanhanger van de OLF te zijn, zo verklaart hij. [9] De context waarin de detentie en mishandeling van eiser hebben plaatsgevonden is niet onderkend door de minister en als gevolg daarvan ook niet (kenbaar) meegewogen in de beoordeling van de vraag of er goede redenen zijn om aan te nemen dat de vervolging dan wel ernstige schade zich niet wederom zal voordoen. De minister heeft er op zitting nog op gewezen dat de stelling dat eiser is gedetineerd wegens vermeende betrokkenheid bij het OLF niet volgt uit de vertaling van het strafrechtelijk vonnis zoals hij dit in beroep heeft overgelegd. Anders dan de andere verdachten is eiser namelijk niet veroordeeld wegens opruiing tijdens een vreedzame demonstratie tegen de autoriteiten, maar vanwege het stelen van graan. Dit maakt echter niet dat aan de verklaringen van eiser geen waarde kan worden gehecht. Daartoe acht de rechtbank allereest van belang dat deze verklaringen geloofwaardig zijn geacht en de basis hebben gevormd voor de risico-inschatting van de verklaringen van eiser. Daar komt bij dat eiser tijdens het gehoor en ook op zitting heeft verklaard onder valse voorwendselen te zijn beschuldigd en veroordeeld. [10] Dit heeft eiser op zitting nog eens herhaald.
De rechtbank acht de context van de mishandeling en detentie van belang omdat dit relevant is voor de beoordeling van het risico op vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer. Uit de door eiser aangehaalde landinformatie blijkt namelijk dat personen die eerder gedetineerd zijn geweest omdat ze ervan verdacht worden betrokken te zijn bij het OLF een reëel risico lopen op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [11] Bovendien heeft eiser verklaard dat zijn moeder meermaals door de autoriteiten is mishandeld omdat zijn vader lid is van het OLF en hij werd gezocht. Dat eiser na zijn vrijlating tot aan zijn vertrek uit Ethiopië geen problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten acht de rechtbank dan ook niet zonder meer voldoende om aan te nemen dat zich bij terugkeer geen problemen zullen voordoen. In deze beoordeling heeft de minister immers geen oog gehad voor de politieke context waarin de eerdere vervolging heeft plaatsgevonden. Deze context is tot op heden niet significant veranderd.
4.5. Omdat de besluitvorming ten aanzien van de risico-inschatting een motiveringsgebrek kent, kan de rechtbank niet goed beoordelen of de daarop volgende beoordeling van de zwaarwegendheid (de vraag of het aangenomen risico van zodanig gewicht is dat gesproken kan worden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel schending van artikel 3 EVRM Pro) juist is geweest. De rechtbank komt dus tot de conclusie dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek kent en daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is reeds hierom gegrond zodat de rechtbank niet meer zal ingaan op de overige door eiser aangevoerde beroepsgronden.