Eiser, met de Russische nationaliteit, werd op 16 juli 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwistte de rechtmatigheid van de staandehouding en de gronden voor de bewaring, waaronder het ontbreken van geldige reispapieren en het niet meewerken aan overdracht aan Denemarken.
De rechtbank oordeelt dat de staandehouding rechtmatig was, aangezien een redelijk vermoeden van illegaal verblijf niet vereist is bij staandehouding op grond van artikel 50a Vw. De zware gronden voor bewaring (niet op voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen en geen medewerking aan overdracht) zijn feitelijk juist en voldoende om de bewaring te dragen. De lichte gronden behoeven geen nadere bespreking.
Eiser voerde aan dat een lichter middel zoals meldplicht passend was en dat zijn medische omstandigheden onvoldoende werden meegewogen. De rechtbank stelt vast dat een lichter middel reeds was toegepast zonder het gewenste resultaat en dat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. Ook is geen sprake van isolatie, maar van een tijdelijke plaatsing na een incident.
De rechtbank acht het handelen van verweerder voortvarend en ziet geen onrechtmatigheid in de maatregel van bewaring. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.