Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:13889

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
25-949
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsprocedure

In deze zaak heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen de afwijzing van haar aanvraag door de Minister van Asiel en Migratie. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek zonder zitting vanwege de kennelijke niet-ontvankelijkheid van het verzoek.

De minister had op 14 april 2025 een beslissing genomen op het bezwaarschrift van verzoekster. Verzoekster heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing, hetgeen een vereiste is om een verzoek om voorlopige voorziening te kunnen indienen.

De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk is en wijst het verzoek af zonder inhoudelijke beoordeling. Verzoekster krijgt geen terugbetaling van griffierecht en geen vergoeding van proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroepsprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.949

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster,

geboren [geboortedatum verzoekster],
V-nummer: [V-nummer]
[nationaliteit] nationaliteit,
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekster. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
De minister heeft op 14 april 2025 beslist op het bezwaarschrift.
1.3.
Verzoekster heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit en het besluit op het bezwaar tegen dat besluit. Tegen dat laatste besluit loopt geen beroepsprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Verzoekster krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.S.G. van der Werf, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.