ECLI:NL:RBDHA:2025:13905

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
NL25.20677 NL25.20769 NL25.20681 NL25.20678
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvragen met oplegging nadere beslistermijn en dwangsom

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister had de aanvragen ontvangen op 22 december 2023 en moest binnen zes maanden besluiten, met een verlenging van negen maanden onder WBV 2023/3. Eisers stelden de minister op 3 april 2025 tijdig in gebreke en dienden daarna beroep in.

De rechtbank oordeelt dat de beroepen gegrond zijn omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Er is geen noodzaak tot zitting, en eisers zijn inmiddels gehoord op hun asielmotieven. De rechtbank legt daarom een nadere beslistermijn van acht weken op, rekening houdend met het belang van zorgvuldige besluitvorming en het recht van eisers op een duidelijke termijn.

Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd met een maximum van € 15.000 voor het geval de minister niet binnen de gestelde termijn beslist. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eisers van € 695,25, gebaseerd op een wegingsfactor vanwege de aard van het geschil en het aantal samenhangende zaken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen gegrond, legt een nadere beslistermijn van acht weken op en verbindt een dwangsom aan het niet naleven daarvan.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.20677, NL25.20678, NL25.20679 en NL25.20681

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4], eisers,
V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar), en
de minister van Asiel en Migratie,de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Zijn de beroepen van eisers gegrond?

3. De minister heeft de aanvragen op 22 december 2023 ontvangen. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvragen beslissen.3 De minister heeft deze termijn onder toepassing van WBV 2023/34 met negen maanden verlengd. Eisers hebben de minister op 3 april 2025 in gebreke gesteld. Dat is hoe dan ook tijdig geweest, ongeacht de vraag over de rechtmatigheid van WBV 2023/3.5 Eisers hebben meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. De beroepen zijn kennelijk gegrond.
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
4 Staatscourant van 8 februari 2023, nr. 3235.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6
5. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers inmiddels zijn gehoord op hun asielmotieven. De rechtbank ziet in deze omstandigheid aanleiding om aan de minister een langere nadere beslistermijn dan twee weken op te leggen. Om zowel recht te doen aan het belang van eisers bij een duidelijke beslistermijn, als het belang van de minister om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, zal de rechtbank een uiterlijke nadere beslistermijn opleggen van acht weken. Daarbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat de minister eerst nog voornemens moet uitbrengen en dat eisers daarop vervolgens nog hun zienswijzen mogen geven. De rechtbank sluit in dit verband aan bij de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 8 juli 20207. De nadere beslistermijn vangt aan na de dag van verzending van deze uitspraak.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
6. In het geval het bestuursorgaan niet tijdig heeft beslist, dan draagt de bestuursrechter het bestuursorgaan op om dit binnen een bepaalde termijn alsnog te doen. De bestuursrechter verbindt aan het niet-naleven daarvan een dwangsom.8 In artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet)9 was bepaald dat deze bepalingen niet van toepassing zijn op een besluit op een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De ABRvS heeft echter in haar uitspraak van 30 november 202210 geoordeeld dat deze bepaling uit de Tijdelijke wet op dit punt onverbindend was. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de minister wél opdraagt om binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit bekend te maken en dat de bestuursrechter aan het niet naleven door de minister een dwangsom verbindt.
7. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hebben vastgesteld.11 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
5 Zie ECLI:EU:C:2025:326.
6 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
8 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
9 De Tijdelijke wet was van kracht van 11 juli 2021 tot 15 april 2025 en is op deze zaken nog van toepassing.
11 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen acht weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
9. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Vanwege de samenhang in de vier zaken, blijft de hoogte van de proceskostenveroordeling beperkt tot het bedrag dat in één zaak wordt toegekend, vermenigvuldigd met factor 1,5 omdat de gemachtigde van eisers beroepschriften heeft ingediend in de vier samenhangende zaken. De vergoeding bedraagt aldus € 695,25 (1 punt voor het indienen van beroepschriften, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactoren 0,5 en 1,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 695,25;
  • de bedragen aan dwangsommen en proceskosten worden toegekend aan de zaak met nummer NL25.20677.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van de Mortel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juni 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.