Eisers hebben beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun aanvraag van 19 april 2024 voor een machtiging voor voorlopig verblijf. De minister had de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden verlengd, maar ook deze termijn is verstreken zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat het dossier mogelijk nog niet compleet is en dat de minister nog documenten moet beoordelen of herstelverzuim kan sturen. Daarom legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van acht weken op, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van €100 per dag moet betalen bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt een bestuurlijke dwangsom van €1.442 vastgesteld wegens eerdere overschrijding. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50.
Deze uitspraak is zonder zitting gedaan en bevestigt eerdere jurisprudentie over redelijke beslistermijnen bij aanvragen om gezinshereniging en asielvergunningen. Eisers krijgen hiermee gelijk en de minister wordt gedwongen binnen de gestelde termijnen te beslissen.