Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:1397

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
5 februari 2025
Zaaknummer
NL25.4300
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens ontbreken geldig terugkeerbesluit en toekenning schadevergoeding

Eiseres werd op 25 januari 2025 onrechtmatig in bewaring gesteld omdat er geen geldig terugkeerbesluit aan de maatregel ten grondslag lag. De minister had dit gebrek eerder moeten onderkennen, maar deed dit pas tijdens de procedure. De rechtbank oordeelt dat dit gebrek doorwerkt in de daaropvolgende maatregel van 29 januari 2025, waardoor deze eveneens onrechtmatig is.

De rechtbank overweegt dat de minister voorafgaand aan het opleggen van de maatregel had moeten weten dat het terugkeerbesluit was geëffectueerd door uitzetting door Duitse autoriteiten. De voortduring van deze evidente onrechtmatigheid vormt een ernstige schending van het fundamentele recht van eiseres om in vrijheid te worden gesteld.

Daarom wordt het beroep gegrond verklaard, wordt de maatregel van bewaring opgeheven met ingang van 4 februari 2025 en wordt aan eiseres een schadevergoeding van €700,- toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens worden de proceskosten van eiseres aan de minister opgelegd.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig en wordt opgeheven, met toekenning van een schadevergoeding van €700,- aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4300

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen D.C. Grootenboer. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Eiseres stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1992] .
Eiseres is eerder in bewaring gesteld, namelijk op 25 januari 2025, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De minister heeft die maatregel opgeheven op 29 januari 2025, omdat eiseres op 28 november 2025 een asielaanvraag heeft ingediend. Bij brief van 31 januari 2025 heeft de minister onderkend dat aan die maatregel van bewaring geen geldig terugkeerbesluit ten grondslag heeft gelegen. Die maatregel ligt hier niet voor. Het beroep daartegen is ingetrokken, nadat de minister schadevergoeding heeft aangeboden. Het is niet in geding dat de eerste maatregel van aanvang af onrechtmatig was.
3. De rechtbank ziet zich in deze zaak ambtshalve voor de vraag gesteld of de onrechtmatigheid van de eerste maatregel, doorwerkt in de rechtmatigheid van de maatregel van 29 januari 2025, die hier wel ter toetsing voorligt. Het uitgangspunt is dat een gebrek dat kleeft aan de eerste maatregel niet betekent dat een daaropvolgende maatregel ook onrechtmatig is (de schottentheorie). Daarop moet een uitzondering worden gemaakt in het geval van een ernstige schending van het aan de vreemdeling toekomende recht om in vrijheid te worden gesteld als haar bewaring onrechtmatig is. [1]
4. De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een ernstige schending, zodat een doorbreking van de schottentheorie niet aan de orde is. Eiseres heeft slechts enkele dagen op een onjuiste wettelijke grondslag in bewaring gezeten. Bovendien was de onrechtmatigheid niet evident te herkennen, omdat het terugkeerbesluit is geëffectueerd door uitzetting door de Duitse autoriteiten.
5. De rechtbank is van oordeel dat het gebrek dat kleeft aan de eerste maatregel van bewaring in dit geval wel doorwerkt in de huidige maatregel, die daardoor van meet af aan onrechtmatig is. [2] De rechtbank overweegt daartoe dat vast staat dat eiseres op 25 januari 2025 ten onrechte in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw, omdat er geen geldig terugkeerbesluit was. Een terugkeerbesluit is de allereerste voorwaarde voor een inbewaringstelling, waardoor de rechtbank ervan uitgaat dat de minister ook als eerste nagaat of aan die voorwaarde wordt voldaan. In dit geval is dat kennelijk niet gebeurd. Pas tijdens de voorbereiding van de zaak heeft de procesvertegenwoordiger van de minister op 31 januari 2025 onderkend dat er geen geldig terugkeerbesluit aan de maatregel van 25 januari 2025 ten grondslag heeft gelegen. Dat de minister stelt dat het niet evident was dat het terugkeerbesluit van 15 september 2021 al was geëffectueerd volgt de rechtbank niet. Tijdens de zitting heeft de minister namelijk toegelicht dat duidelijk werd dat uit het proces-verbaal van gehoor (M110) van 25 januari 2025 volgde dat het terugkeerbesluit was geëffectueerd door uitzetting door de Duitse autoriteiten. Verder wordt de uitzetting door de Duitse autoriteiten ook genoemd in de maatregel zelf (M109) van 25 januari 2025. De minister had daarom voorafgaand aan het opleggen van de maatregel kunnen en moeten weten dat het terugkeerbesluit was geëffectueerd met deze uitzetting. De duur van de voortduring van de evidente onrechtmatigheid, van aanvang af, en de relatieve eenvoud waarmee deze onrechtmatigheid voorkomen had kunnen worden, levert naar het oordeel van de rechtbank een ernstige schending op van eiseres haar fundamentele recht om in vrijheid gesteld te worden toen haar bewaring onrechtmatig was. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat er op 25 januari 2025 geen enkele andere grondslag was om eiseres in bewaring te houden.
6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel met ingang van 4 februari 2025.
7. Omdat het beroep gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
8. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 7 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 700,-.
9. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van 29 januari 2025;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 700,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.I. van Meel, rechter, in aanwezigheid van
K.F.K. Hoogbruin, griffier.
Deze uitspraak zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl en is uitgesproken en bekendgemaakt op:
4 februari 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:885.
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2353, r.o. 8 e.v.