ECLI:NL:RBDHA:2025:13990

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
29 juli 2025
Zaaknummer
NL25.34105
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, is sinds 2 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van deze maatregel tot 11 juni 2025 getoetst en nu beoordeeld of het voortduren van de maatregel daarna gerechtvaardigd is.

Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij het uitzettingsproces, onder meer vanwege onvolledige verslaglegging van vertrekgesprekken en onduidelijkheid over de medewerking van Algerije aan het verstrekken van laissez-passer. De rechtbank stelt vast dat verweerder meerdere uitzettingshandelingen heeft verricht, waaronder rappelverzoeken aan Algerijnse autoriteiten en vertrekgesprekken met eiser.

De rechtbank concludeert dat er voldoende zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat eiser niet actief meewerkt aan zijn terugkeer. De voortzetting van de maatregel van bewaring is daarom niet onrechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34105

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

v-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 23 juli 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 29 juli 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 juni 2025. [2] Uit de voormelde uitspraak volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 11 juni 2025, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 11 juni 2025.
4. Eiser voert aan dat, voor zover het de voortvarendheid van verweerders handelen betreft, uit het voortgangsrapportage blijkt dat er twee vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden, maar dat slechts één gespreksverslag in het dossier is opgenomen. Volgens eiser is het daardoor niet controleerbaar op welke gronden verweerder de bewaring voortzet en wat er tijdens deze gesprekken is besproken. Ten aanzien van het zicht op uitzetting stelt eiser dat slechts eenmaal om een lp [3] is verzocht, zonder rappel, en dat onduidelijk is hoe vaak de Algerijnse autoriteiten in de praktijk meewerken aan terugkeer. Eiser acht het in dat verband van belang om inzicht te krijgen in de bereidheid van Algerije tot het verstrekken van lp’s, mede omdat de autoriteiten volgens hem niet lijken te reageren op rappelverzoeken.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juli 2025 en op 7 juli 2025 uitzettingshandelingen heeft verricht door een rappel te sturen naar de Algerijnse autoriteiten in verband met de lp-aanvraag en met eiser een vertrekgesprek te voeren. Daarbij merkt de rechtbank op dat het eerste vertrekgesprek van 5 juni 2025 reeds is betrokken bij de beoordeling van het eerdere beroep en als zodanig is opgenomen in het digitale dossier. In wat eiser aanvoert ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn. In zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting naar Algerije. De omstandigheid dat er ten behoeve van eiser nog geen reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is gekomen, ondanks het versturen van rappel, is onvoldoende om aan te nemen dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. De Algerijnse autoriteiten hebben daarnaast niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen lp zullen afgeven. Ook is niet gebleken van enige poging van eiser om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het aan hem is om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting, zoals hem ook duidelijk is gemaakt tijdens het laatste vertrekgesprek. Daarbij wordt opgemerkt dat eiser tijdens zijn laatste vertrekgesprek is gewezen op de mogelijkheid om het terugkeerproces te bespoedigen door het schrijven van een vrijwilligersbrief, waarmee hij zou kunnen worden uitgenodigd voor een presentatie bij de ambassade van Algerije. Eiser heeft echter aangegeven hieraan niet te willen meewerken en ook overigens geen actie te willen ondernemen met betrekking tot zijn terugkeer. Gelet op het voorgaande werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser en is er voldoende zicht op uitzetting.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.