De zaak betreft een beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie op 12 juli 2025 aan hem heeft opgelegd. Eiser betoogt dat zijn aanhouding verkapt vreemdelingenrechtelijk was, omdat onvoldoende strafrechtelijke aanleiding zou bestaan voor het vragen van zijn legitimatiebewijs en aanhouding.
De rechtbank beoordeelt het proces-verbaal van bevindingen en concludeert dat er wel degelijk een strafrechtelijke aanleiding was: het dragen van een balaclava bij warm weer en het snel in- en uitgaan van een woning wekte vermoedens van drugshandel of helpdeskfraude. Omdat eiser zijn legitimatiebewijs niet kon tonen en uit politiesystemen bleek dat hij uitzetbaar was, werd hij aangehouden op grond van artikel 447e Sr.
De rechtbank stelt vast dat de aanhouding geen verkapt vreemdelingenrechtelijke aanhouding is en ziet ook ambtshalve geen reden om de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden daarom ongegrond verklaard. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.