ECLI:NL:RBDHA:2025:14165

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL25.32188
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M.C. Schuurman - Kleijberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000Art. 5 EVRMArt. 6 EU HandvestArt. 7 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond vervolgberoep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser is op 8 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel is eerder door de rechtbank getoetst op 2 mei 2025 en 17 juni 2025, waarbij de rechtmatigheid werd bevestigd. Eiser stelde opnieuw beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank besloot dat een zitting niet nodig was.

Eiser betoogde dat er geen redelijk zicht op uitzetting bestaat omdat de Marokkaanse autoriteiten niet hebben gereageerd op de laissez-passer aanvraag en geen presentatie gepland is, waardoor de maatregel in strijd zou zijn met artikel 5 EVRM Pro en 6 EU Handvest. De rechtbank verwierp dit omdat uit vaste rechtspraak volgt dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt en er voldoende uitzettingshandelingen zijn verricht.

Daarnaast stelde eiser dat de belangenafweging disproportioneel is, mede vanwege zijn gezinssituatie in Spanje. De rechtbank oordeelde dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring het belang van de minister zwaarder weegt en dat eiser geen nieuwe omstandigheden had aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Ook stelde de rechtbank vast dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn uitzetting.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig is en dat het beroep ongegrond is. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32188

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Procesverloop

De minister heeft op 8 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel en het voortduren hiervan al eerder getoetst bij uitspraken van 2 mei 2025 [1] en 17 juni 2025. [2]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opnieuw beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft op 23 juli 2025 bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
Uit de uitspraak van 17 juni 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. [3] Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 10 juni 2025) onrechtmatig is.
Ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?
2. Eiser betoogt dat ondanks herhaalde rappels de aangezochte autoriteiten tot op heden niets hebben laten horen of hebben laten merken dat er een presentatie in persoon gaat plaatsvinden of dat zij bereid zijn tot een verstrekking van een laissez-passer. Gelet op voorgaande kan aangenomen worden dat geen redelijk zicht op uitzetting bestaat en de maatregel daarmee in strijd is met artikel 5 van Pro het EVRM en 6 van het EU Handvest.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak volgt dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [4] Vast staat dat voor eiser op 17 april 2025 een laissez passer-aanvraag is verzonden en op 12 juni 2025 en op 4 juli 2025 voor het laatst op deze aanvraag is gerappelleerd. Ook zijn er met eiser op 11 juni 2025 en op 14 juli 2025 vertrekgesprekken gehouden. Deze hebben te gelden als uitzettingshandelingen. Dat de Marokkaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de laissez passer-aanvraag en dat nog geen presentatie is gepland is onvoldoende voor de conclusie dat het zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt. De Marokkaanse autoriteiten hebben immers niet te kennen gegeven dat voor eiser geen laissez-passer zal worden afgegeven en dat een presentatie in het geval van eiser wel of niet nodig is. De rechtbank ziet dan ook niet in waarom het feit dat op dit moment nog geen laissez-passer is afgegeven en nog geen presentatie is gepland betekent dat het zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt en dat de hierboven genoemde situatie maakt dat de maatregel van eiser in strijd is met de artikelen 5 van het EVRM en 6 van het EU Handvest oplevert.
Heeft de minister een evenredige belangenafweging gemaakt?
3. Eiser verwijst naar de omstandigheden die hij heeft uiteengezet ten aanzien van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en betoogt dat voortduring van de maatregel van eiser in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en de artikelen 5 van het EVRM en 6 van het EU Handvest. Hierdoor is de maatregel niet langer proportioneel. Hierbij is volgens eiser met name van belang dat op grond van artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 7 van Pro het EU Handvest de situatie met zijn vrouw in Spanje een rol speelt. Onder de gegeven omstandigheden kan er worden geconcludeerd dat het belang van de minister om de maatregel voort te zetten niet langer opweegt tegen de gegeven en persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld en om aan eiser alsnog een lichter middel op te leggen.
3.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister.
3.2.
Hoewel er inmiddels weer tijd is verstreken sinds de rechtbank de maatregel van bewaring heeft getoetst, is dat enkele feit onvoldoende om eisers beroepsgrond te volgen. De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraken van 2 mei 2025 [5] en 17 juni 2025 [6] al een oordeel is gegeven over de gezinssituatie van eiser. Eiser heeft met betrekking tot dit standpunt geen nieuwe argumenten aangevoerd of stukken ingebracht waardoor de rechtbank hier nu anders over zou moeten oordelen en waardoor de maatregel nu wel in strijd zou zijn met de artikelen 5 van het EVRM en 6 van het EU Handvest. Verder zijn er door eiser geen andere bijzondere omstandigheden genoemd op grond waarvan de minister de maatregel had moeten opheffen op grond van een belangenafweging. Daarbij komt dat eiser kan bijdragen aan het beëindigen van de maatregel door mee te werken aan zijn uitzetting. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser een dergelijke houding vertoont of hier inspanningen voor verricht.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman - Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp Arnhem), 2 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7659.
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem), 17 juni 2025, NL25.24824 (niet gepubliceerd).
3.Rb Den Haag (zp Arnhem) 17 juni 2025, NL25.24824 (niet gepubliceerd).
4.ABRvS, 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.
5.Rb Den Haag (zp Arnhem) 2 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:7659, r.o. 2.1.
6.Rb. Den Haag (zp Arnhem), 17 juni 2025, NL25.24824, r.o. 3.2. (niet gepubliceerd).
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.