Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 11 maart 2025 waarin een beslistermijn werd gesteld. De minister heeft binnen die termijn geen besluit genomen, noch schriftelijk medegedeeld dat nader onderzoek nodig was.
Hoewel het beroep aanvankelijk te vroeg was ingediend, verklaart de rechtbank het beroep ontvankelijk omdat de beslistermijn inmiddels is verstreken zonder dat een besluit is genomen. De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen zou wegnemen.
De rechtbank legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen en verbindt daaraan een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-, ingaande nadat een eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is verbeurd. De rechtbank stelt vast dat een bestuurlijke dwangsom niet opnieuw wordt vastgesteld. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.