ECLI:NL:RBDHA:2025:14200

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
AWB 25.8962
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op mvv aanvraag nareis met rechterlijke dwangsom

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 25 juli 2025, wordt het beroep van eiser behandeld dat is ingediend tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Eiser had eerder een uitspraak van de rechtbank Zwolle ontvangen, waarin de minister werd opgedragen om binnen acht weken na verzending van die uitspraak een besluit te nemen. Eiser stelt dat de minister deze termijn heeft overschreden en dat er geen schriftelijke mededeling is gedaan over nader onderzoek. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks dat het aanvankelijk te vroeg was ingediend, omdat de termijn inmiddels was verstreken zonder dat de minister een besluit had genomen. De rechtbank wijst het verzoek van de minister om aanhouding van het beroep af, omdat dit de prikkel om tijdig te beslissen zou wegnemen. De rechtbank legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen en verbindt hieraan een dwangsom van € 250,- per dag bij overschrijding, met een maximum van € 37.500,-. Eiser krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten van € 453,50 en het griffierecht van € 194,- moet door de minister worden vergoed. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor bestuursorganen om tijdig te beslissen op aanvragen en de gevolgen van het niet naleven van deze verplichtingen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/8962

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2025 in de zaak tussen

[eiser 1] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

Mede namens:
[eiser 2], V-nummer [V-nummer]
[eiser 3], geboren op [geboortedatum] 2004
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2008
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2010
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2013
[minderjarige 4], geboren op [geboortedatum] 2014
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 11 maart 2025. [1] In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak een besluit op de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis (de aanvraag) bekend moet maken. Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiser schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van die uitspraak bekend worden gemaakt. Eiser stelt nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op zijn aanvraag, noch schriftelijk heeft medegedeeld dat nader onderzoek moet plaatsvinden.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting. [2]
2. Bij de behandeling van aanvragen in zogenoemde nareiszaken hanteert de minister sinds
15 januari 2024 het principe van first-in first-out (het fifo-principe). In verband met deze werkwijze is het de rechtbank bekend dat de minister aan de rechtbank primair verzoekt om beroepen tegen het niet tijdig beslissen op aanvragen in nareiszaken aan te houden tot het moment dat de minister de betreffende aanvragen in behandeling neemt. De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de aard van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen zich in beginsel tegen een aanhouding verzet. Een aanhouding van de behandeling van het beroep neemt namelijk voor de minister de prikkel weg om voortvarend tot een beslissing te komen.
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [3]
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
4. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 11 maart 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een nieuw besluit. [4]
5. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Op het moment waarop de rechtbank het beroep van eiser ontving, was de termijn gegeven in de uitspraak van 11 maart 2025 nog niet verstreken. Eiser heeft zijn beroep dus te vroeg ingediend. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. In dit geval beslist de rechtbank dat het beroep tóch ontvankelijk is, omdat de termijn uit de uitspraak van 11 maart 2025 inmiddels wél is verstreken en de minister nog steeds geen besluit heeft genomen. De rechtbank verklaart het beroep daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
6. De rechtbank stelt verder vast dat eiser onderhavig beroep heeft ingesteld op 17 april 2025, terwijl de rechterlijke dwangsom op dat moment nog niet was volgelopen. Bij een beroep tegen het niet tijdig-nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd. [5] De rechtbank stelt verder vast dat de rechterlijke dwangsom inmiddels wel volledig is verbeurd en de minister nog altijd geen besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
7. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. [6] Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft. [7]
8. De minister heeft geen verweerschrift ingediend. Onduidelijk is daardoor wanneer de minister gaat beslissen op de aanvraag. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak moet beslissen.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
9. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren. [8] De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 37.500,-. De rechtbank stelt vast dat deze dwangsom begint te lopen wanneer de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is verbeurd en de minister op dat moment nog altijd geen besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser.
Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?
10. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. Eiser heeft in zijn eerste beroep ook om een bestuurlijke dwangsom verzocht. In de hiervoor genoemde uitspraak van 11 maart 2025 is door de bestuursrechter de verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.442,-. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de (bestuurlijke) dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. In het geval dat aan – zoals in deze zaak – een eerdere, door de rechtbank bepaalde, beslistermijn geen gevolg wordt gegeven is de betreffende partij van rechtswege in verzuim. De wetgever heeft er niet in voorzien dat in dat geval opnieuw een (resterende) bestuurlijke dwangsom wordt verbeurd. De rechtbank zal de bestuurlijke dwangsom in deze zaak dan ook niet vaststellen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 8. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-, startend vanaf de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is verbeurd;
- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van M.M. Mulder, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL24.46405.
2.Artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
3.Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
6.Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
7.Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
8.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.