Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 11 januari 2024 en moest binnen zes maanden beslissen, maar stelde niet tijdig een besluit vast. Eiser stelde de minister op 15 mei 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna beroep in, dat door de rechtbank gegrond werd verklaard.
De rechtbank legt de minister een termijn van zestien weken op om alsnog een besluit te nemen, waarbij binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor over de asielmotieven moet plaatsvinden en binnen acht weken daarna het besluit moet volgen. Deze termijn is gebaseerd op het 8+8-wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Verder legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50 wegens het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.M. Mulder op 24 juli 2025.