ECLI:NL:RBDHA:2025:14238

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL24.47883
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Jemenitische eiser afgewezen; rechtbank vernietigt besluit wegens motiveringsgebrek

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 juli 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Jemenitische eiser. De eiser had op 19 september 2023 een asielaanvraag ingediend, waarbij hij stelde dat hij in Jemen een verhoogd risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 29 november 2024 afgewezen, wat de eiser heeft doen besluiten om beroep in te stellen tegen dit besluit. Tijdens de zitting op 16 januari 2025 is de zaak behandeld, waarbij de eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de verweerder.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister in zijn beoordeling van de asielaanvraag niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken, waardoor de motivering van het bestreden besluit niet deugdelijk was. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, waarin werd geoordeeld dat de minister niet voldoende had gemotiveerd of er in Jemen sprake was van een meest uitzonderlijke situatie, zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

Gelet op deze tekortkomingen heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens is de minister veroordeeld in de proceskosten van de eiser, vastgesteld op € 1.814. De uitspraak is openbaar gemaakt en de eiser is geïnformeerd over de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47883

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1990 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij heeft op 19 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij onder meer ten grondslag gelegd dat hij in Jemen een verhoogd risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld.
2. De rechtbank overweegt het navolgende over de beoordeling van verweerder of in Jemen sprake is van een meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [2]
3. De Afdeling [3] heeft bij uitspraak van 16 juli 2025 [4] geoordeeld dat verweerder de beoordeling in zijn beleid [5] of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder heeft namelijk niet alle relevante omstandigheden betrokken bij zijn beoordeling, zodat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd hoe hij de slechte humanitaire situatie in Jemen in combinatie met de andere door eiser overgelegde informatie over het actuele geweldsniveau en andere relevante omstandigheden heeft betrokken in de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
4. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. [6] Het beroep is in zoverre gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank komt gelet hierop niet meer toe aan bespreking van de overige beroepsgronden. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dit geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. [7]
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb [8] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit;
 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak; en
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814 (achttienhonderdveertien euro).
Deze uitspraak is gedaan op 30 juli 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Richtlijn 2011/95/EU.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
5.Paragraaf C7/19.4.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
6.Artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.
8.Besluit proceskosten bestuursrecht.