ECLI:NL:RBDHA:2025:14247

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 juli 2025
Publicatiedatum
31 juli 2025
Zaaknummer
NL25.33027
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking aan toezicht

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 9 juli 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, wegens een concreet risico op overdracht aan Portugal onder de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.

Eiser betwistte de gronden van bewaring, onder meer de motivering van het onttrekkingsrisico en de geschiktheid van een lichter middel, en verwees naar zijn psychische klachten en het medisch dossier. De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn, dat het bestaan van zware en lichte gronden het vermoeden van onttrekking rechtvaardigt, en dat de psychische klachten pas na detentie duidelijk werden, waarbij passende zorg aanwezig is.

De rechtbank concludeert dat de maatregel niet onrechtmatig is, dat detentieongeschiktheid niet aannemelijk is, en dat het verzoek om schadevergoeding daarom wordt afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33027

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.I. Vennik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na aanvang van de zitting heeft de verdere behandeling van het beroep op verzoek van de gemachtigde van eiser buiten aanwezigheid van eiser plaatsgehad. Ter zitting is het onderzoek in de zaak gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1984.
2. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd dat er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser onder de Dublinverordening kan worden overgedragen aan Portugal. De maatregel is dan ook terecht gebaseerd op artikel 59a van de Vreemdelingenwet. In de maatregel heeft verweerder verder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft daartoe, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eisers gemachtigde heeft onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] en van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle [2] aangevoerd dat verweerder onder de gronden 3a en b onvoldoende heeft gemotiveerd dat een significant risico bestaat dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht. Verder stelt eisers gemachtigde dat de zware grond 3d bedoeld risico niet onderbouwt omdat Dublinoverdrachten ook plaats kunnen vinden op basis van Eurodac-treffers. Verder is, gelet op het ontbreken van strafrechtelijke antecedenten, de motivering van de lichte grond 4d ongepast voor zover daarbij is gesteld dat het ontbreken van middelen van bestaan ertoe zal leiden dat eiser zal vervallen in crimineel handelen. Ten slotte heeft eisers gemachtigde aangevoerd dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met het toepassen van een lichter middel. Verwezen wordt naar het overgelegde medisch dossier van eiser. Anders dan de indruk die de processen-verbaal van de gehoren van 6 en 9 juli 2025 wekken, kan eiser niet samenhangend vertellen. Er zitten ook discrepanties in wat eiser heeft verklaard: hij verklaart enerzijds gezond te zijn, maar verklaart anderszijds dat hij psychische klachten heeft. Uit het medisch dossier blijkt dat eiser is geplaatst op de extra zorgafdeling van het detentiecentrum. Er is het vermoeden van een stoornis.
4. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser de feitelijke juistheid van de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet heeft bestreden. In het algemeen wordt aangenomen dat het bestaan van ten minste één zware en één lichte grond voldoende is om aan te nemen dat sprake is van een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware grond 3a is feitelijk juist en draagt, gelet op het bepaalde in artikel 5.1.b, tweede en derde lid, van het Vb in algemene zin bij aan het vermoeden dat eiser zich in de toekomst zal onttrekken aan het toezicht. De omstandigheid dat deze grond als zodanig nog niet onderbouwt dat sprake is van een significant risico dat eiser ook zijn voorgenomen overdracht in gevaar zal brengen, doet daar niet aan af. Ook de zware grond 3b is feitelijk juist. Verweerder heeft daarbij toegelicht dat eiser zich na zijn binnenkomst in Nederland actief aan het toezicht heeft onttrokken door zich niet te melden bij de korpschef. Daarnaast is lichte grond 4c feitelijk juist en in de maatregel is voldoende toegelicht hoe dat bijdraagt aan het ontrekkingsrisico. Ook de lichte grond 4d is feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat het door het ontbreken van middelen van bestaan onwaarschijnlijk is dat eiser uit eigen beweging zal vertrekken. Verweerder concludeert terecht dat het risico op onttrekken aan het toezicht ook daarom aanwezig is. De voornoemde gronden tezamen zijn voldoende om te stellen dat in het geval van eiser sprake is van een signifcant risico op onttrekking aan het toezicht. De beroepsgrond dat dit onvoldoende in de maatregel is gemotiveerd, faalt.
5. Verweerder heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd dat een lichter middel in het geval van eiser niet volstaat om de daadwerkelijke overdracht van eiser aan Portugal te garanderen. De rechtbank volgt niet dat verweerder hierbij onvoldoende de beschikbare informatie over eisers gezondheid heeft betrokken. In de maatregel is verwezen naar wat eiser over zijn gezondheid heeft verklaard. Dat dit uiteenlopende verklaringen betreft, betekent niet dat verweerder hier ambtshalve nader onderzoek naar had moeten doen alvorens over het opleggen van de maatregel te beslissen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het bestaan van medische klachten als zodanig niet dwingt tot het achterwege laten van bewaring, aangezien ook in detentie volwaardige medische zorg aanwezig is, inclusief eventueel noodzakelijke plaatsing in een regulier ziekenhuis of penitentiair psychiatrisch centrum. Gesteld, noch gebleken is dat eiser detentieongeschikt is. Evenmin is aannemelijk geworden dat (het voortduren van) vreemdelingenbewaring als onevenredig bezwarend moet worden beschouwd vanwege eisers fysieke en/of geestelijke gesteldheid. Eisers verklaringen tijdens de gehoren voorafgaand aan het opleggen van de maatregel, zowel op 9 juli als eerder op 6 juli 2025, bieden daarvoor geen aanknopingspunt. Uit de opgemaakte processen verbaal volgt dat eiser slechts algemeen en globaal heeft gesproken over het bestaan van psychische klachten en daarnaast ook heeft verklaard dat hij gezond is. Uit het in beroep overgelegde medisch dossier van eiser volgt evenmin dat eiser al op het moment van het opleggen van de maatregel bekend was met zijn huidige lichamelijke en/of psychische klachten, althans dat dit voor verweerder duidelijk had moeten zijn. Eerst vanaf 15 juli 2025 en dus na plaatsing in het detentiecentrum maakt het dossier melding van eisers (huidige) klachten. Op 21 juli 2025 vermeldt het dossier de diagnoses Schizofrenie/psychotische stoornis. Eiser verblijft in verband hiermee op de extra zorgafdeling van het detentiecentrum, waar zijn gezondheidstoestand in de gaten wordt gehouden. Niet is gebleken dat de gezondheidsklachten van eiser in verband zijn te brengen met het ondergaan van de maatregel van bewaring
6. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel onrechtmatig moet worden geacht.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2025, door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.