Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 9 juli 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, wegens een concreet risico op overdracht aan Portugal onder de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan toezicht.
Eiser betwistte de gronden van bewaring, onder meer de motivering van het onttrekkingsrisico en de geschiktheid van een lichter middel, en verwees naar zijn psychische klachten en het medisch dossier. De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn, dat het bestaan van zware en lichte gronden het vermoeden van onttrekking rechtvaardigt, en dat de psychische klachten pas na detentie duidelijk werden, waarbij passende zorg aanwezig is.
De rechtbank concludeert dat de maatregel niet onrechtmatig is, dat detentieongeschiktheid niet aannemelijk is, en dat het verzoek om schadevergoeding daarom wordt afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.