Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een beroep tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 3 april 2024 waarin een beslistermijn werd gesteld. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is.
De rechtbank wijst het verzoek van de minister om het beroep aan te houden af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen zou wegnemen. Gelet op de eerdere uitspraak is een ingebrekestelling niet vereist. De minister wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 250,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman op 24 juni 2025 in Utrecht.