Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingediend op 21 april 2024. De minister heeft de beslistermijn overschreden en is door eiser op 6 februari 2025 in gebreke gesteld. De rechtbank stelt vast dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank volgt het 8+8-wekenmodel van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 453,50, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt op 30 juni 2025.