Deze uitspraak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 6 november 2024 waarin was bepaald dat de minister binnen acht weken na verzending van die uitspraak moest beslissen, tenzij nader onderzoek werd aangekondigd, waarna een termijn van twintig weken gold. De minister heeft echter niet binnen deze termijnen een besluit genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, omdat de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke termijn stelde. De minister krijgt een termijn van twee weken om alsnog te beslissen. Daarnaast wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd met een maximum van €37.500 voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt.
Tot slot wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser (€453,50) en het griffierecht (€194).