Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 6 juli 2024 ontvangen, waarna de minister volgens de Vreemdelingenwet 2000 binnen zes maanden moest beslissen. Eiser stelde de minister op 19 juni 2025 schriftelijk in gebreke, waarna het beroep werd ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De minister had aanvankelijk de beslistermijn onder de WBV 2023/26 met negen maanden verlengd, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden geldt. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, past de rechtbank het 8+8-wekenmodel toe, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak het gehoor moet afnemen en binnen acht weken daarna het besluit moet nemen.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Omdat de minister niet tijdig heeft beslist en het beroep gegrond is, wordt tevens een proceskostenvergoeding van € 453,50 toegekend aan eiser. De rechtbank wijst het verzoek om een bestuurlijke dwangsom af, omdat de wettelijke bepalingen daarvoor sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn en de situatie voor deze datum niet van toepassing is.