De zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder was bepaald dat de minister binnen zestien weken na een uitspraak van de rechtbank op 17 april 2025 moest beslissen. De minister heeft deze termijn niet gehaald.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, omdat een uitdrukkelijke termijn was gesteld in een eerdere uitspraak. De rechtbank legt aan de minister een nadere beslistermijn van zes weken op, rekening houdend met de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming en het horen van eiser.
Daarnaast wordt aan de minister een dwangsom opgelegd van €250 per dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van €37.500. De minister wordt tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.M. Pattynama op 24 juni 2025.