De zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In een eerdere uitspraak van 7 augustus 2024 was een beslistermijn van zestien weken gesteld waarbinnen de minister moest besluiten. Deze termijn is inmiddels verstreken zonder dat een besluit is genomen.
De rechtbank overweegt dat hoewel normaal gesproken eerst een ingebrekestelling vereist is, dit in deze situatie niet nodig is vanwege de uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn uit de eerdere uitspraak. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank legt de minister een nieuwe beslistermijn van twee weken op, ingaande na de dag van verzending van deze uitspraak. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €37.500. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege het inschakelen van juridische hulp.
De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier J.M. Pattynama op 6 juni 2025. De minister wordt opgedragen binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen en de dwangsom te voorkomen.