Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:14416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
4 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.30036 NL25.30038
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 EU-Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens Dublinverordening

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van de minister van Asiel en Migratie om hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij Tsjechië als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen en een verzoek tot overname door Tsjechië is aanvaard.

Eisers voerden aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden vanwege structurele tekortkomingen in het Tsjechische asiel- en opvangsysteem, zoals een tekort aan tolken en beperkte toegang tot juridische bijstand. De rechtbank oordeelde dat deze stellingen onvoldoende onderbouwd zijn met objectieve bronnen en dat de hoge drempel voor het doorbreken van het vertrouwensbeginsel, zoals geformuleerd in het Jawo-arrest van het Hof van Justitie, niet is gehaald.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Eisers konden niet aannemelijk maken dat zij bij overdracht aan Tsjechië een reëel risico lopen op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro-Handvest. De beroepen zijn daarom ongegrond verklaard en het niet in behandeling nemen van de aanvragen blijft in stand.

Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.30036 en NL25.30038

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] en [eisers] ,V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , eisers,
mede namens hun minderjarig kind [minderjarige] ,V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. N. van Bremen),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 3 juli 2025 niet in behandeling genomen omdat Tsjechië verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eisers en hun gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van de besluiten
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Tsjechië een verzoek om overname gedaan. Tsjechië heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eisers stellen dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Tsjechië wegens structurele tekortkomingen. Hiertoe voeren eisers aan dat er in Tsjechië een tekort aan tolken is. Door dit tekort is het contact met advocaten moeizaam en is er geen kwaliteitscontrole op de juridische bijstand. Uit het EUAA-rapport 2024 (hoofdstuk 4) volgt dat er in Tsjechië zorgen zijn over de beperkte toegang tot juridische hulp bij grensdetentie of versnelde procedures (waaronder Dublin). Daarnaast zijn er weinig gespecialiseerde advocaten in het asielrecht. In de praktijk hebben veel asielzoekers het moeilijk om een advocaat met ervaring in het asielrecht te vinden. Uit het AIDA-rapport 2024 volgt dat kinderen van asielzoekers formeel het recht hebben op onderwijs in Tsjechië, maar dat er geen gestructureerde ondersteuning is voor kinderen die als Dublinclaimant terugkeren.
6. De rechtbank overweegt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, de minister er in het algemeen van mag uitgaan dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem in Tsjechië dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Tsjechië een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU-Handvest. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in het geval de vreemdelingen aannemelijk maken dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 20192.
7. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat ten aanzien van Tsjechië niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers hebben hun standpunt over het tekort aan tolken niet onderbouwd met objectieve bronnen. Deze enkele stelling is daarom onvoldoende om te kunnen spreken van structurele tekortkomingen van de asielprocedure. Wat eisers stellen onder verwijzing naar het EUAA-rapport 2024 heeft de rechtbank in dat rapport niet kunnen terugvinden. Eisers zijn ook niet op de zitting verschenen om de verwijzing verder toe te lichten. Overigens is niet gebleken dat eisers bij terugkeer naar Tsjechië in een versnelde procedure komen. De rechtbank heeft een AIDA-rapport 2024 niet betrokken in haar oordeel, omdat zij een dergelijk rapport over Tsjechië niet kon vinden.
8. De autoriteiten van Tsjechië hebben middels het claimakkoord gegarandeerd de verzoeken om internationale bescherming van eisers in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de autoriteiten van Tsjechië ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Indien eisers in Tsjechië worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van hun asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kunnen zij hierover klagen bij de (hogere) autoriteiten van Tsjechië. Niet is gebleken dat klagen bij de autoriteiten van Tsjechië voor eisers niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2 Zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 juli 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.