ECLI:NL:RBDHA:2025:14451
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf
In deze zaak heeft eiser op 14 juni 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn kinderen. De rechtbank heeft op 30 juli 2024 het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen vier weken een besluit te nemen. Eiser heeft op 24 april 2025 opnieuw beroep ingesteld omdat verweerder wederom geen besluit had genomen. De rechtbank heeft op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting. De rechtbank overweegt dat, volgens vaste jurisprudentie, een ingebrekestelling niet nodig is als de rechtbank al een termijn heeft gesteld en deze niet is nageleefd. De rechtbank heeft verweerder een nieuwe termijn van twee weken opgelegd om alsnog een besluit te nemen en een dwangsom van € 200 per dag opgelegd voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Daarnaast is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 en moet het griffierecht van € 194 vergoeden. De uitspraak is gedaan op 4 augustus 2025 en openbaar gemaakt.