ECLI:NL:RBDHA:2025:14523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.14539u
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de verlenging van de overdrachtstermijn op basis van de Dublinverordening in een bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure tussen een eiser en de minister van Asiel en Migratie. De zaak betreft de verlenging van de overdrachtstermijn van de eiser op basis van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De minister had de overdrachtstermijn verlengd omdat hij meende dat de eiser onderdook. De rechtbank heeft het beroep van de eiser gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank oordeelde dat er ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van onderduiken, aangezien er nog geen overdrachtsdatum was gepland en de eiser in afwachting was van een uitspraak op zijn verzoek om een voorlopige voorziening. De rechtbank concludeerde dat de minister ten onrechte had gesteld dat de eiser ondergedoken was en dat de verlenging van de overdrachtstermijn niet gerechtvaardigd was. De rechtbank heeft de minister ook veroordeeld in de proceskosten van de eiser, vastgesteld op € 907,00.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14539

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N.R.H. Boon),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.A. Dijcks).

Inleiding

1. Bij besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de overdrachtstermijn van eiser verlengd omdat er volgens verweerder sprake zou zijn van onderduiken.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met berichtgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Procesverloop

2. Bij besluit van 5 maart 2025 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat volgens verweerder Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van 1 mei 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het daartegen door eiser ingestelde beroep [1] ongegrond verklaard. Eiser had verder tegelijk met het instellen van het beroep de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van eveneens 1 mei 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, het verzoek van eiser [2] afgewezen.
3. In het bestreden besluit van 20 maart 2025 heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening [3] vanwege onderduiken.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van 20 maart 2025. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd?
6. Volgens eiser is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd omdat hierin niet staat waarom wordt geconcludeerd dat sprake is van onderduiken. Verweerder heeft pas op 27 maart 2025, na het bestreden besluit, in de beroepsprocedure, stukken toegevoegd waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Uit het bestreden besluit blijkt ook niet met hoeveel maanden de termijn is verlengd of wat de nieuwe uiterste overdrachtstermijn is. Volgens eiser had deze informatie in het besluit moeten worden opgenomen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank kleeft aan het bestreden besluit geen motiveringsgebrek. In het bestreden besluit staat namelijk dat de uiterste overdrachtstermijn is verlengd op basis van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken. De beknopte formulering van het bestreden besluit kan volgens de rechtbank op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat deze daarmee ondeugdelijk is.
8. Met betrekking tot het niet vermelden van de nieuwe uiterste overdrachtsdatum overweegt de rechtbank dat ook dit niet kan leiden tot het aannemen van een motiveringsgebrek. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de uiterste overdrachtsdatum altijd wordt verlengd tot de maximale termijn van achttien maanden en verweerder verwijst ook naar de brief (aanwezig in het digitale dossier) van 20 maart 2025 aan de Kroatische autoriteiten, waarin staat dat de termijn is verlengd tot achttien maanden. Dit impliceert dat de (nieuwe) uiterste overdrachtsdatum door (gemachtigde van) eiser zelf kan worden berekend. Verweerder stelt volgens de rechtbank dan ook terecht dat het ontbreken van een concrete datum de verlenging van de uiterste overdrachtstermijn niet onrechtmatig maakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was, ten tijde van het bestreden besluit, sprake van onderduiken?
9. Eiser meent dat er geen sprake is van onderduiken, in de zin van doelbewust ervoor zorgen dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te voorkomen. Er zijn volgens eiser nog geen voorbereidingen getroffen voor een overdracht. Er is nog geen feitelijke overdracht gepland en eiser is er niet van op de hoogte gesteld dat hij verplicht was om zich beschikbaar te houden voor een feitelijke overdracht.
10. De rechtbank overweegt dat uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om een vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Uit hetzelfde artikel volgt dat indien de vreemdeling onderduikt, deze termijn tot maximaal achttien maanden kan worden verlengd.
11. De rechtbank overweegt vervolgens dat uit het Jawo-arrest [4] en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 december 2022 [5] en 5 januari 2023 [6] volgt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat de vreemdeling onderduikt wanneer hij doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer de overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een dergelijke bedoeling niet had.
12. De rechtbank stelt het volgende vast. Eiser heeft op 15 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 5 maart 2025 werd zijn aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat verweerder Kroatië verantwoordelijk acht voor de behandeling daarvan. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser bij het indienen van zijn asielaanvraag en het aanmeldgehoor Dublin is geïnformeerd over zijn rechten en plichten, op basis waarvan verweerder volgens de rechtbank de conclusie kon trekken dat eiser op de hoogte was van een (mogelijke) naderende overdracht aan Kroatië en de op hem rustende verplichting om zichzelf hiervoor beschikbaar te stellen.
13. Op 10 maart 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag en eveneens op 10 maart 2025 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, wat maakt dat eiser in afwachting van een uitspraak op dat verzoek niet mag worden overgedragen.
14. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser per 19 maart 2025 de hem toegekende woonplaats zelfstandig heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen. De MOB-melding van het COA aan verweerder dateert van 20 maart 2025. Dezelfde dag heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
15. De rechtbank is, bovenstaande overziend, van oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op 20 maart 2025 geen sprake was van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Op dat moment was er nog geen overdrachtsdatum gepland, maar dit kon ook niet, omdat eiser tegen het overdrachtsbesluit van 5 maart 2025 beroep had ingesteld en hij de rechter binnen 24 uur om een voorlopige voorziening had gevraagd en hij de behandeling van deze voorlopige voorziening dus in Nederland mocht afwachten en hij, in afwachting van een uitspraak op dat verzoek, dus niet mag worden overgedragen. Hierdoor was er geen sprake van een aanstaande overdracht waaraan eiser zich zou kunnen onttrekken. [7]
16. Nu overdracht ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet mogelijk was, kan verweerder niet stellen dat eiser die overdracht heeft gefrustreerd of dat eiser doelbewust ervoor heeft gezorgd dat hij buiten het bereik bleef van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoeren van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit ten onrechte overwogen dat eiser is ondergedoken en heeft dan ook ten onrechte de overdrachtstermijn verlengd. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat verweerder de overdrachtstermijn ten onrechte heeft verlengd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J. Beckers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 augustus 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Bekend onder zaaknummer NL25.11211.
2.Bekend onder zaaknummer NL25.11212.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2029, Jawo, ECLI:C:EU:2019:218.
7.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van