Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit van 20 maart 2025. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het bestreden besluit deugdelijk gemotiveerd?
6. Volgens eiser is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd omdat hierin niet staat waarom wordt geconcludeerd dat sprake is van onderduiken. Verweerder heeft pas op 27 maart 2025, na het bestreden besluit, in de beroepsprocedure, stukken toegevoegd waarop het bestreden besluit is gebaseerd. Uit het bestreden besluit blijkt ook niet met hoeveel maanden de termijn is verlengd of wat de nieuwe uiterste overdrachtstermijn is. Volgens eiser had deze informatie in het besluit moeten worden opgenomen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank kleeft aan het bestreden besluit geen motiveringsgebrek. In het bestreden besluit staat namelijk dat de uiterste overdrachtstermijn is verlengd op basis van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening vanwege onderduiken. De beknopte formulering van het bestreden besluit kan volgens de rechtbank op zichzelf niet tot de conclusie leiden dat deze daarmee ondeugdelijk is.
8. Met betrekking tot het niet vermelden van de nieuwe uiterste overdrachtsdatum overweegt de rechtbank dat ook dit niet kan leiden tot het aannemen van een motiveringsgebrek. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de uiterste overdrachtsdatum altijd wordt verlengd tot de maximale termijn van achttien maanden en verweerder verwijst ook naar de brief (aanwezig in het digitale dossier) van 20 maart 2025 aan de Kroatische autoriteiten, waarin staat dat de termijn is verlengd tot achttien maanden. Dit impliceert dat de (nieuwe) uiterste overdrachtsdatum door (gemachtigde van) eiser zelf kan worden berekend. Verweerder stelt volgens de rechtbank dan ook terecht dat het ontbreken van een concrete datum de verlenging van de uiterste overdrachtstermijn niet onrechtmatig maakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Was, ten tijde van het bestreden besluit, sprake van onderduiken?
9. Eiser meent dat er geen sprake is van onderduiken, in de zin van doelbewust ervoor zorgen dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te voorkomen. Er zijn volgens eiser nog geen voorbereidingen getroffen voor een overdracht. Er is nog geen feitelijke overdracht gepland en eiser is er niet van op de hoogte gesteld dat hij verplicht was om zich beschikbaar te houden voor een feitelijke overdracht.
10. De rechtbank overweegt dat uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om een vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen en de verantwoordelijkheid overgaat op de verzoekende lidstaat. Uit hetzelfde artikel volgt dat indien de vreemdeling onderduikt, deze termijn tot maximaal achttien maanden kan worden verlengd.
11. De rechtbank overweegt vervolgens dat uit het Jawo-arresten de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 december 2022en 5 januari 2023volgt dat artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening zo moet worden uitgelegd dat de vreemdeling onderduikt wanneer hij doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Dat is het geval wanneer de overdracht niet kan worden uitgevoerd, omdat de vreemdeling de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn verplichtingen. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij een dergelijke bedoeling niet had.
12. De rechtbank stelt het volgende vast. Eiser heeft op 15 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 5 maart 2025 werd zijn aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat verweerder Kroatië verantwoordelijk acht voor de behandeling daarvan. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser bij het indienen van zijn asielaanvraag en het aanmeldgehoor Dublin is geïnformeerd over zijn rechten en plichten, op basis waarvan verweerder volgens de rechtbank de conclusie kon trekken dat eiser op de hoogte was van een (mogelijke) naderende overdracht aan Kroatië en de op hem rustende verplichting om zichzelf hiervoor beschikbaar te stellen.
13. Op 10 maart 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag en eveneens op 10 maart 2025 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, wat maakt dat eiser in afwachting van een uitspraak op dat verzoek niet mag worden overgedragen.
14. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser per 19 maart 2025 de hem toegekende woonplaats zelfstandig heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen. De MOB-melding van het COA aan verweerder dateert van 20 maart 2025. Dezelfde dag heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
15. De rechtbank is, bovenstaande overziend, van oordeel dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op 20 maart 2025 geen sprake was van onderduiken in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Op dat moment was er nog geen overdrachtsdatum gepland, maar dit kon ook niet, omdat eiser tegen het overdrachtsbesluit van 5 maart 2025 beroep had ingesteld en hij de rechter binnen 24 uur om een voorlopige voorziening had gevraagd en hij de behandeling van deze voorlopige voorziening dus in Nederland mocht afwachten en hij, in afwachting van een uitspraak op dat verzoek, dus niet mag worden overgedragen. Hierdoor was er geen sprake van een aanstaande overdracht waaraan eiser zich zou kunnen onttrekken.
16. Nu overdracht ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet mogelijk was, kan verweerder niet stellen dat eiser die overdracht heeft gefrustreerd of dat eiser doelbewust ervoor heeft gezorgd dat hij buiten het bereik bleef van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoeren van de overdracht om deze overdracht te voorkomen. Verweerder heeft daarom in het bestreden besluit ten onrechte overwogen dat eiser is ondergedoken en heeft dan ook ten onrechte de overdrachtstermijn verlengd. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt.