In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan in de herziening van een vrijheidsbeperkende maatregel die aan Nigeriaanse vreemdelingen was opgelegd. De eisers, een gezin met minderjarige kinderen, hadden beroep ingesteld tegen de besluiten van de minister van Asiel en Migratie, die hen verplichtte om in de gemeente Emmen te verblijven. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, omdat de eisers niet voldeden aan de rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtbank heeft de argumenten van eisers, waaronder het verzoek om uitstel van vertrek en de medische omstandigheden van eiseres, beoordeeld. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had gesteld dat eisers geen rechtmatig verblijf hadden en dat de vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk was voor de openbare orde en nationale veiligheid. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat er geen schending van de zorgvuldigheid had plaatsgevonden tijdens het gehoor, ondanks het gebruik van een niet-beëdigde tolk. De rechtbank heeft de minister veroordeeld in de proceskosten van de eisers tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is een hersteluitspraak, omdat in de oorspronkelijke uitspraak een fout was gemaakt met betrekking tot de proceskostenveroordeling van het COA, dat geen verweerder was in deze zaak.