ECLI:NL:RBDHA:2025:14524

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
25.29945 en 25.29951 H
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan Nigeriaanse vreemdelingen

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan in de herziening van een vrijheidsbeperkende maatregel die aan Nigeriaanse vreemdelingen was opgelegd. De eisers, een gezin met minderjarige kinderen, hadden beroep ingesteld tegen de besluiten van de minister van Asiel en Migratie, die hen verplichtte om in de gemeente Emmen te verblijven. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, omdat de eisers niet voldeden aan de rechtsplicht om Nederland uit eigen beweging te verlaten. De rechtbank heeft de argumenten van eisers, waaronder het verzoek om uitstel van vertrek en de medische omstandigheden van eiseres, beoordeeld. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had gesteld dat eisers geen rechtmatig verblijf hadden en dat de vrijheidsbeperkende maatregel noodzakelijk was voor de openbare orde en nationale veiligheid. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat er geen schending van de zorgvuldigheid had plaatsgevonden tijdens het gehoor, ondanks het gebruik van een niet-beëdigde tolk. De rechtbank heeft de minister veroordeeld in de proceskosten van de eisers tot een bedrag van € 1.814,-. Deze uitspraak is een hersteluitspraak, omdat in de oorspronkelijke uitspraak een fout was gemaakt met betrekking tot de proceskostenveroordeling van het COA, dat geen verweerder was in deze zaak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.29945 en 25.29951

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam], eiseres,

van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
en

[naam], eiser,

van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
mede namens hun minderjarige kinderen en hierna gezamenlijk te noemen: eisers.
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt).
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. Bij besluiten van 11 juni 2025 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel).
1.1.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, tezamen met hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Overwegingen

3. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Vw kan door de minister overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die:
geen rechtmatig verblijf heeft; of
rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.
3.1.
Op grond van artikel 56, tweede lid, van de Vw blijft toepassing van het eerste lid achterwege, dan wel wordt de toepassing beëindigd, zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat.
3.2.
De vrijheidsbeperkende maatregel kan ingevolge artikel 5.1. van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bestaan uit:
  • Een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of;
  • Een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden.
3.3.
In paragraaf A5.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat vermeld dat, anders dan bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals neergelegd in de Vw, een vrijheidsbeperkende maatregel in de regel niet disproportioneel zal zijn indien deze nodig is voor de voorbereiding van het vertrek van de vreemdeling. Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling voor het vertrekproces.
3.4.
In paragraaf A5.5. van de Vc staat vermeld dat de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 – in combinatie met een toezichtmaatregel op grond van artikel 54 eerste lid, van de Vw – wordt opgelegd op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid aan de vreemdeling zonder rechtmatig verblijf.
Bestreden besluiten
4. De minister heeft eisers verplicht om met ingang van 11 juni 2025 te verblijven in de gemeente Emmen, alwaar zij zich samen met hun minderjarige kinderen in de Gezinslocatie Emmen dienen op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eisers niet hebben voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Verder beschikken eisers niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en hebben zij niet voldoende middelen van bestaan. Ook acht de minister het in het belang van beide minderjarige kinderen om samen met hun ouders opvang te blijven houden tot het vertrek naar Nigeria is gerealiseerd. Tot slot staat eiseres onder medische behandeling, waardoor ze een ziektekostenverzekering nodig heeft die onderdeel uitmaakt van de alternatieve opvang op de gezinslocatie.
Rechtmatig verblijf
5. Eisers voeren aan dat zij uitstel van vertrek hebben aangevraagd op grond van artikel 64 Vw, en dat deze aanvraag het terugkeerbesluit opschort en de beslissing in Nederland mag worden afgewacht. Eisers stellen door de aanvraag rechtmatig verblijf te hebben, afgeleid van artikel 8j Vw. Ze hoefden dus niet aan hun vertrekplicht te voldoen. Ook heeft het COa niet te kennen gegeven de opvang te beëindigen als er geen artikel 56-maatregel zou worden opgelegd. COa kan volgens eisers de opvang ook niet beeïndigen, nu zij een gezin zijn met minderjarige kinderen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht aan de vrijheidsbeperkende maatregel ten grondslag heeft gelegd dat eisers niet hebben voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Er is door de minister nog niet op de artikel 64-aanvraag beslist, en in afwachting van de beslissing hebben eisers geen rechtmatig verblijf zoals bedoeld in artikel 8 Vw. Rechtmatig verblijf ontstaat in een situatie als deze pas wanneer een ingediend verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen. Daarvan is niet gebleken. Omdat eisers geen rechtmatig verblijf hebben en zij zich niet onmiddellijk naar Nigeria hebben begeven, rust op hen de rechtsplicht om Nederland te verlaten en mee te werken aan hun vertrek.
Gehoor
6. Eisers stellen dat het gehoor niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, omdat de argumenten van eisers niet zijn opgenomen in het verslag. Dit levert een schending op van artikel 3:2 en 3:46 van de Awb. Ook heeft het gehoor plaatsgevonden met een niet-beëdigde tolk.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat geen gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk vanwege spoed. Er zijn weinig tolken beschikbaar in de taal van eisers, en de minister wilde voorkomen dat nu eisers geen recht meer hebben op opvang, de opvang zou worden beëindigd en het gezin op straat zou komen te staan. De minister is van mening dat niet uit het dossier blijkt dat eisers in hun belangen zijn geschaad.
6.2.
Op grond van artikel van 28 van de Wbtv [1] maakt de minister uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid kan, in afwijking van het eerste lid, gebruik worden gemaakt van een tolk die niet beëdigd is indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is óf indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat. Uit vaste jurisprudentie [2] van de Afdeling volgt dat artikel 28, derde lid, van de Wbtv voor de motivering de eis stelt dat de minister de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk schriftelijk vastlegt en dat dit één van de in dat lid vermelde redenen moet zijn. In het geval een beëdigde tolk niet beschikbaar is, is het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. De minister moet dan toelichten om welke reden geen beëdigde tolk beschikbaar was. In dit geval heeft de minister volstaan met de mededeling dat een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar was. Dat is, gelet op wat hiervoor is overwogen, onvoldoende. Dat eisers formeel geen recht meer op opvang hebben, betekent niet automatisch dat er spoed aanwezig is. Feit is immers dat dat recht al enige tijd niet meer bestaat en eisers al die tijd in de opvang zijn opgenomen. Dat dat nu ineens zou veranderen en daarmee spoed gegeven is, is niet gebleken. Er is dan ook sprake van een gebrek. Uit het dossier en uit het onderzoek ter zitting is echter niet gebleken dat eisers door dit gebrek in hun belangen zijn geschaad. Dat eisers de tolk niet konden verstaan of omgekeerd en/of door het feit dat het ging om een niet beëdigde tolk belangrijke informatie voor het opleggen van de maatregel niet naar voren kon worden gebracht of kon worden meegenomen, is niet gesteld en ook niet gebleken. De rechtbank zal het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb [3] passeren.
Medische omstandigheden
7. Eisers overleggen een verklaring van de GGZ Drenthe van 14 juli 2025 over de medische toestand van eiseres. Ze volgt dagbehandeling, heeft behandelafspraken in Beilen, en er vindt een slaaponderzoek plaats in Assen. Hiermee is volgens eisers geen rekening gehouden in de maatregel. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers toegevoegd dat het onwenselijk is dat eiseres afhankelijk is van de welwillendheid van het COa omtrent toestemming om de gezinslocatie te verlaten voor een behandeling of doktersafspraak.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de vrijheidsbeperkende maatregel blijkt dat kenbaar is meegewogen dat eiseres specialistische medische behandeling nodig heeft, en dat voor bezoek aan een medisch specialist om een tijdelijke ontheffing van de maatregel kan worden verzocht. Ter zitting is gebleken dat deze ontheffing ook aan eiseres wordt verleend, en dat het transport naar de behandellocatie door de gezinslocatie wordt gefaciliteerd.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond.
7. Gelet op het oordeel in rechtsoverweging 6.2. ziet de rechtbank aanleiding om de minister (rectificatie) in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 907,00 en wegingsfactor 1).
8. Deze hersteluitspraak is gedaan omdat in de oorspronkelijke uitspraak de minister en het COa ieder ten dele waren veroordeeld in de proceskosten, terwijl het COa geen verweerder was in deze zaak. De rechtbank is hierop gewezen door de minister. Deze hersteluitspraak ziet op het verwijderen van de veroordeling van het COa, en het wijzigen van de hoogte van het bedrag aan proceskosten dat de minister moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond.
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-. (rectificatie)
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet beëdigde tolken en vertalers.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395.
3.Algemene wet bestuursrecht.