Op 5 augustus 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen een eiser, vertegenwoordigd door mr. H. Toonders, en de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. M.B. van den Toorn-Volkers. De zaak betreft een beroep tegen een besluit van 15 juli 2025, waarbij de minister aan de eiser een maatregel van bewaring heeft opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Op 22 juli 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven, omdat er een nieuwe maatregel in verband met een opvolgende asielaanvraag is opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2025 behandeld. Eiser, die de Marokkaanse nationaliteit heeft en geboren is op [datum] 2000, is verschenen met zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gronden voor de bewaring niet zijn betwist en dat deze voldoende zijn gemotiveerd door de minister. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bewaring niet onrechtmatig was en dat er geen aanleiding was om de maatregel achterwege te laten of nader te motiveren. Eiser heeft niet aangetoond dat zijn detentie in de weg staat aan de uitvoering van de zorgmachtiging die hij stelt te hebben.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan binnen één week na bekendmaking hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.