ECLI:NL:RBDHA:2025:14545

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.32812
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eerste beroep bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Op 5 augustus 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen een eiser, vertegenwoordigd door mr. H. Toonders, en de minister van Asiel en Migratie, vertegenwoordigd door mr. M.B. van den Toorn-Volkers. De zaak betreft een beroep tegen een besluit van 15 juli 2025, waarbij de minister aan de eiser een maatregel van bewaring heeft opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Op 22 juli 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven, omdat er een nieuwe maatregel in verband met een opvolgende asielaanvraag is opgelegd.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2025 behandeld. Eiser, die de Marokkaanse nationaliteit heeft en geboren is op [datum] 2000, is verschenen met zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gronden voor de bewaring niet zijn betwist en dat deze voldoende zijn gemotiveerd door de minister. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bewaring niet onrechtmatig was en dat er geen aanleiding was om de maatregel achterwege te laten of nader te motiveren. Eiser heeft niet aangetoond dat zijn detentie in de weg staat aan de uitvoering van de zorgmachtiging die hij stelt te hebben.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan binnen één week na bekendmaking hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32812

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 22 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat aan eiser in verband met een opvolgende asielaanvraag een nieuwe maatregel is opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert aan dat een zorgmachtiging is afgegeven. Hieraan moet uitvoering worden gegeven, in plaats van hem in bewaring te stellen. Hij moet een behandeling krijgen in de aangewezen kliniek.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de gronden die aan de bewaring ten grondslag liggen niet betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Hiermee heeft verweerder gemotiveerd dat sprake is van een risico dat eiser zich aan zijn uitzetting onttrekt. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen.
6. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het aan te nemen risico op onttrekking te ondervangen. Niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt of dat het ondergaan van de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is.
7. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de maatregel achterwege had moeten laten of nader had moeten motiveren. Eiser heeft de gestelde zorgmachtiging niet overgelegd, maar heeft verwezen naar hieraan gewijde overwegingen in verweerders beslissing van 2 juli 2025 over het weigeren van uitstel van vertrek om medische redenen. Daarin wordt een mededeling van [kliniek] geciteerd dat eiser een zorgmachtiging heeft, geldig tot 25 november 2025. In verweerders beslissing van 2 juli 2025 wordt verder vastgesteld dat eiser niet onder behandeling is. Ook eiser zelf heeft in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel verklaard dat hij niet onder behandeling is. Voor zover er van moet worden uitgegaan dat eiser moet worden behandeld, geldt dat - zoals verweerder in de maatregel heeft overwogen - in detentie volwaardige medische zorg beschikbaar is. Dit kan in voorkomend geval ook inhouden dat eiser buiten het detentiecentrum in een bijzondere kliniek wordt geplaatst. Eiser heeft niet onderbouwd dat zijn detentie in de weg staat aan de uitvoering van de gestelde zorgmachtiging.
8. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.