ECLI:NL:RBDHA:2025:14546

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
5 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.33175
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50a VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring wegens redelijk vermoeden van illegaal verblijf ongegrond verklaard

Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende Dublinclaimant, werd op 21 juli 2025 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond en dat er geen zicht was op overdracht binnen een redelijke termijn.

De rechtbank stelde vast dat eiser rechtmatig in Nederland verbleef als Dublinclaimant en dat de ophouding noodzakelijk was ter voorbereiding van de bewaring. De gronden voor de bewaring, waaronder het risico op onderduiken en het bestaan van een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Frankrijk, werden niet betwist en werden als feitelijk juist beoordeeld.

Verder bleek uit het dossier dat op 19 maart 2025 een terugnameakkoord met Frankrijk was gesloten en dat de overdracht op 6 augustus 2025 gepland stond, waardoor het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn aanwezig was. Verweerder had bovendien voortvarend gehandeld door een vlucht met escorte aan te vragen en te bevestigen.

De rechtbank verwierp het verweer dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld, ondanks het niet doorgaan van een vertrekgesprek vanwege vertrouwensproblemen met de tolk. Er was geen aanwijzing dat de maatregel onrechtmatig was geweest. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond en bevestigt de bewaring tot overdracht aan Frankrijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33175

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 1 augustus 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 4 augustus 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 4 augustus 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Soedanese nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1998.
Redelijk vermoeden van illegaal verblijf
2. Eiser voert aan dat er geen redelijk vermoeden is van illegaal verblijf.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50a, van de Vw, omdat de ophouding noodzakelijk is in verband met het voorbereiden van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser verblijft namelijk als Dublinclaimant tot aan zijn overdracht naar Frankrijk rechtmatig in Nederland. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.

Maatregel van bewaring

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het significante risico op onderduiken aan het toezicht daarmee is gegeven.
Zicht op overdracht
6. Eiser stelt dat er geen zicht is op overdracht binnen een redelijke termijn. Gebleken is echter dat op 19 maart 2025 een terugnameakkoord tot stand is gekomen en dat eiser op 6 augustus 2025 zal worden overgedragen aan Frankrijk. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn op enig moment heeft ontbroken.
Voortvarend handelen
7. Eiser voert tot slot aan dat verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld, omdat er nog geen verslag is van een recent vertrekgesprek en omdat het vertrekgesprek van 22 juli 2025 geen doorgang heeft gevonden door toedoen van verweerder. De bewaarder heeft namelijk kort Arabisch getolkt, waardoor eiser geïntimideerd was en geen vertrouwen meer had dat de tolk onafhankelijk was. Eiser heeft daarom geweigerd met verweerder in gesprek te gaan. Ook nadien heeft geen vertrekgesprek meer plaatsgevonden.
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Na het opleggen van de maatregel heeft verweerder op 23 juli jl. een vlucht met escorte aangevraagd, welke vlucht op 24 juli jl is bevestigd. Eiser wordt op 6 augustus a.s. overgedragen. Hiermee is voldoende voortvarend gehandeld. Dat eiser, vanwege de door hem genoemde redenen, niet op het vertrekgesprek van 22 juli jl. is verschenen doet niet af aan het feit dat verweerder voldoende handelingen heeft verricht om het vertrek van eiser binnen korte termijn mogelijk te maken.
9. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.