ECLI:NL:RBDHA:2025:14549
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduring van bewaring van een Kroatische vreemdeling
In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de voortduring van de bewaring van een Kroatische vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 30 april 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet. De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2025 behandeld, waarbij de eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, aanwezig was. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring eerder rechtmatig was bevonden en dat de huidige beoordeling zich richt op de periode na 9 mei 2025.
De eiser betoogde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en dat hij in aanmerking kwam voor een lichter middel, zoals een meldplicht, omdat hij bij een vriendin in Rotterdam kon verblijven. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht geen aanleiding had gezien om een lichter middel op te leggen, aangezien de eiser geen onderbouwde feiten had aangedragen die de noodzaak voor een lichter middel zouden rechtvaardigen. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend werkte aan de uitzetting van de eiser, met bevestiging van zijn nationaliteit door de Kroatische autoriteiten en geplande vertrekgesprekken.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door mr. F. Sijens, rechter, en openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.