ECLI:NL:RBDHA:2025:14563

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.5691
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Koerdische Turkse nationaliteit met beroep tegen de beslissing van de minister van Asiel en Migratie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag wordt het beroep van eiser, een Koerdische man van Turkse nationaliteit, tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag behandeld. Eiser had op 21 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister op 16 juli 2024 werd afgewezen. Eiser stelde dat hij vanwege zijn Koerdische afkomst, zijn politieke activiteiten voor de HDP, en zijn problemen met de Turkse autoriteiten, vreesde voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat eiser bij terugkeer een reëel risico op vervolging liep, en dat de asielmotieven in onderlinge samenhang waren beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond was, en dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand bleef. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten en de uitspraak werd openbaar gemaakt op 6 augustus 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5691

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over eisers beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 juli 2024 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 juli 2024. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft dit beroep op 13 november 2024 gegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat de minister de afzonderlijke asielmotieven ook in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. De minister had (meer) kenbaar moeten motiveren of eiser bij terugkeer, gelet op zijn problemen vanwege dienstplichtweigering, zijn problemen vanwege zijn Koerdische afkomst en zijn problemen vanwege zijn verleden van HDP-activiteiten, in onderlinge samenhang bezien, niet alsnog een risico loopt op vervolging of ernstige schade van de zijde van de Turkse autoriteiten.
2.2.
Op 10 januari 2025 heeft de minister een nieuw besluit (hierna: het bestreden besluit) genomen en eisers aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan
hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser stelt van Turkse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 1 juli 2000. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een Koerd afkomstig uit de plaats Suruc is. Deze plaats wordt door de autoriteiten geassocieerd met de HDP (die als terroristische organisatie wordt gezien) en met de PKK. De meeste bewoners van Suruc zijn ook HDP-sympathisanten en eiser heeft in de periode 2015 – 2020 voor de HDP als vrijwilliger activiteiten verricht, zoals het uitdelen van voorlichtingsfolders, het ophangen van posters en vlaggen en het deelnemen aan meetings of protestmarsen. Daarbij werd eiser tegengewerkt en tegengehouden door de politie en beschoten met pepperspray of water. De activiteiten van eiser voor de HDP vormden voor eiser geen aanleiding om zijn land te verlaten. Eiser heeft begin 2023 nog wel een foto op sociale media geplaatst waarop een YPG-vlag, een poster van Ocalan en een Koerdische vlag te zien is en waarbij eiser heeft geschreven “dit is mijn vrijheid”. Een studiegenoot van eiser die nu politieagent is heeft daarop gereageerd met de woorden “wacht maar af, je gaat het zien” / “wacht maar, jouw tijd komt nog” en eiser vervolgens geblokkeerd. Eiser ziet dit als bedreiging en denkt dat hij mogelijk wordt vervolgd in Turkije door zijn uiting op sociale media. In juni/juli 2023 was er twee keer een inval in het ouderlijk huis van eiser en één keer in de winkel van eisers vader, maar daarbij werd niet specifiek naar eiser gevraagd. Wel vroegen de agenten aan eisers vader waar al zijn 7 kinderen waren. Daarna zijn de agenten niet meer langs gekomen.
4. Verder heeft eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij is afgestudeerd als universitair verpleegkundige maar dat hij vanwege zijn Koerdische achtergrond en herkomst uit Suruc nergens werk kon vinden. Ook ondervond hij problemen bij overheidsinstanties. Eiser ging daarom in Alanya werken als ober in een restaurant. In Alanya raakte hij in september 2022 in gevecht met racisten, nadat die hem er op hadden aangesproken dat hij Koerdisch sprak in een Turks restaurant. Eiser en de racisten werden meegenomen naar het politiebureau, waar eiser 10 uur werd vastgehouden en gehoord. Eiser zegt vaak te zijn mishandeld, gediscrimineerd, onrechtvaardig en ongelijk behandeld.
5. Begin oktober 2022 was eisers uitstel voor militaire dienst afgelopen en werd bekend waar hij gelegerd zou worden en in welk gebied. Eiser zou worden gelegerd in de stad Manisa. Eiser wil echter niet in militaire dienst, omdat zijn broer de dienstperiode als heel erg zwaar heeft ervaren. De broer van eiser heeft er trauma’s aan overgehouden, wat eiser niet wil meemaken. Daarnaast wil eiser niet in militaire dienst, omdat hij als Koerd niet voor de Turkse overheid wil dienen en omdat hij is opgeleid om mensen te verzorgen en te helpen bij medische klachten. Eiser heeft er niet voor gekozen om zijn militaire dienst af te kopen, omdat hij daarvoor geen geld heeft. Verder was het ook niet zijn bedoeling om de dienstplicht af te kopen, omdat hij zijn land uit wilde vanwege de onderdrukking en moet hij – als hij wel de mogelijkheid heeft om het af te kopen – nog steeds een maand dienstplicht nakomen.
6. Vanwege de ondervonden discriminatie vanwege zijn Koerdische afkomst en omdat hij in Turkije niet in militaire dienst wil, heeft eiser zijn land op 11 oktober 2022 op legale wijze verlaten door via Istanbul per vliegtuig naar Moldavië te vliegen. Vanuit Moldavië regelde een Syrische mensensmokkelaar de verdere reis van eiser. Via Oekraïne, Hongarije en Duitsland reisde eiser naar Nederland, waar hij op 16 november 2022 aan kwam en zich op 17 november 2022 meldde voor asiel. Op 21 november 2022 heeft eiser het benodigde formulier voor de aanvraag van een verblijfsvergunning asiel ondertekend. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser dat hij alsnog in militaire dienst moet. Volgens eiser staat hij gesignaleerd met code rood, wat betekent dat hij meteen opgepakt moet worden en moet worden overgedragen aan het militaire orgaan.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Discriminatie vanwege Koerdische afkomst;
3. Problemen vanwege militaire dienstplicht;
4. Politieke activiteiten;
5. Problemen vanwege politieke activiteiten.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de asielmotieven van eiser geloofwaardig zijn. Uit eisers verklaringen volgt echter niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico op ernstige schade loopt. De gestelde omstandigheden hebben geen raakvlak met het Verdrag [1] of artikel 3 EVRM. [2] en eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel. Eiser krijgt ook geen reguliere verblijfsvergunning.

Beoordeling door de rechtbank

8. Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte niet aanvullend heeft gehoord, dan wel nadere vragen heeft gesteld. Nu de minister bepaalde stellingen inneemt ten aanzien van de door eiser overgelegde stukken, had het op de weg van de minister gelegen om daarover nader door te vragen. Eiser stelt verder dat alle asielmotieven geloofwaardig zijn geacht. De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat eiser ondanks de cumulatie van factoren geen risico voor vervolging loopt bij terugkeer. Hierbij is ook in onvoldoende mate rekening gehouden met de aangevoerde feiten en omstandigheden in die context als ook met de overgelegde informatie in de zienswijze. Volgens eiser is in het bestreden besluit dan ook niet uitdrukkelijk aan de hand van objectiveerbare bronnen duidelijk gemaakt dat, ondanks de cumulatie van factoren die eiser naar voren heeft gebracht, hij geen risico voor vervolging heeft bij terugkeer. De inschatting dat eiser geen vrees zou hebben is verder ten onrechte niet afgezet tegen de actuele landeninformatie die al eerder is overgelegd.
9. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat de minister gehouden was eiser aanvullend te horen voorafgaand aan het bestreden besluit. Uit het dossier blijkt dat eiser reeds is gehoord in het kader van zijn asielaanvraag. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser aanvullend zou moeten worden gehoord. Van onzorgvuldigheid is de rechtbank dan ook niet gebleken. De enkele stelling dat de minister op basis van de overgelegde stukken stellingen inneemt, leidt niet tot een ander oordeel.
10. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de afzonderlijke asielmotieven in voldoende onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser heeft aangegeven dat de militaire dienst en het feit dat hij geen werk kon krijgen de hoofdreden voor zijn vertrek is geweest. In het bestreden besluit is vervolgens uiteengezet wat eiser mogelijk te wachten staat als gevolg van het onttrekken aan de dienstplicht. Door de minister is hierna beoordeeld of de omstandigheid dat eiser als Koerd is gediscrimineerd als ook de activiteiten die eiser voor de HDP heeft verricht en de problemen die hij hierdoor heeft ondervonden maakt dat er, in onderlinge samenhang bekeken, sprake is van een aannemelijke vrees voor vervolging. De minister heeft hierbij overwogen dat uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2023 niet blijkt dat dienstplichtontduikers onevenredig worden bestraft vanwege het hebben van een bepaalde etniciteit. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister aangevoerd dat ook uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2025 niet blijkt dat hiervan sprake is. Volgens de minister is verder niet aannemelijk geworden dat de Turkse autoriteiten een persoonlijke negatieve aandacht hebben voor eiser, omdat eiser in 2020 is gestopt met zijn politieke activiteiten, hij geen lid is van de HDP en eiser, naast dat hij in groepsverband is tegengehouden door de politie, geen noemenswaardige problemen heeft ondervonden vanwege zijn politieke activiteiten in de periode tot aan zijn vertrek in oktober 2022. Het feit dat eiser legaal heeft kunnen uitreizen, duidt er volgens de minister evenmin op dat eiser in de negatieve belangstelling stond vanwege zijn politieke activiteiten tussen 2015 en 2020. Volgens de minister is, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk geworden dat de HDP activiteiten en/of eisers Koerdische etniciteit alsnog aan hem worden tegengeworpen vanwege het onttrekken aan de dienstplicht. Volgens de minister is evenmin gebleken dat de Turkse autoriteiten de geloofwaardig geachte asielmotieven als elkaar verzwarend beschouwen, zodat in samenhang bezien de vrees onvoldoende aannemelijk is geworden. De rechtbank is van oordeel dat de minister met het voorgaande de asielmotieven in voldoende onderlinge samenhang heeft beoordeeld.
11. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de objectieve bronnen voldoende kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. In de uitspraak van 13 november 2024 is reeds geoordeeld dat de minister de door eiser overgelegde producties bij de zienswijze voldoende heeft betrokken bij de beoordeling. Deze uitspraak staat in rechte vast, zodat de beroepsgrond geen verdere bespreking behoeft. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het bestreden besluit heeft verwezen naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2023, zodat er in de beoordeling voldoende kenbaar rekening is gehouden met objectieve bronnen. De rechtbank stelt verder vast dat de door eiser in de vorige beroepsfase overgelegde stukken eveneens in de beoordeling zijn betrokken. Zo heeft de minister acht geslagen op het proces-verbaal van 12 april 2023, het document van het Openbaar Ministerie over de strafzaak van 18 januari 2024 en de verklaring van de burgemeester van Suruc. Door eiser is verder niet nader geconcretiseerd welke stukken en/of informatie onvoldoende bij de beoordeling zouden zijn betrokken, zodat deze beroepsgrond evenmin slaagt.
12. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt, de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond en het bestreden besluit in stand blijft.
14. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
2.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.