In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank Den Haag twee beroepen van eiser, een Iraanse nationaliteit, tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betreft een besluit van het COa van 9 juli 2025, waarin eiser werd geplaatst in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen. Het tweede beroep is gericht tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die door de minister op dezelfde datum werd opgelegd. Eiser heeft op 21 juli 2025 gronden van beroep ingediend, waarop het COa op 22 juli 2025 heeft gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de beroepen op 25 juli 2025 behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ontvankelijk is, ondanks de stelling van de minister dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het incident al eerder was beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat het onderhavige beroep betrekking heeft op een nieuw besluit. De rechtbank komt tot de conclusie dat het COa onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gedrag van eiser, dat leidde tot de plaatsing in de HTL, een incident met grote impact was. De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond, maar oordeelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel niet kan worden gehandhaafd, omdat deze volledig steunt op het ongegrond verklaarde plaatsingsbesluit. De rechtbank wijst ook het verzoek om schadevergoeding af.
De uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, en openbaar gemaakt op 6 augustus 2025. Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.