ECLI:NL:RBDHA:2025:14575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
25.30957
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van twee beroepen tegen besluiten van het COa en de minister van Asiel en Migratie met betrekking tot vrijheidsbeperkende maatregelen en plaatsing in een Handhaving- en Toezichtlocatie

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank Den Haag twee beroepen van eiser, een Iraanse nationaliteit, tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betreft een besluit van het COa van 9 juli 2025, waarin eiser werd geplaatst in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen. Het tweede beroep is gericht tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die door de minister op dezelfde datum werd opgelegd. Eiser heeft op 21 juli 2025 gronden van beroep ingediend, waarop het COa op 22 juli 2025 heeft gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de beroepen op 25 juli 2025 behandeld, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ontvankelijk is, ondanks de stelling van de minister dat het beroep niet ontvankelijk is omdat het incident al eerder was beoordeeld. De rechtbank stelt vast dat het onderhavige beroep betrekking heeft op een nieuw besluit. De rechtbank komt tot de conclusie dat het COa onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gedrag van eiser, dat leidde tot de plaatsing in de HTL, een incident met grote impact was. De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond, maar oordeelt dat de vrijheidsbeperkende maatregel niet kan worden gehandhaafd, omdat deze volledig steunt op het ongegrond verklaarde plaatsingsbesluit. De rechtbank wijst ook het verzoek om schadevergoeding af.

De uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, en openbaar gemaakt op 6 augustus 2025. Tegen de uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.30957 en AWB 25/14146

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Iraanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 9 juli 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser per 9 juli 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [1] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw [2] op te leggen.
1.1.
Eiser heeft op 21 juli 2025 gronden van beroep ingediend. Het COa heeft op 22 juli 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser is ook bijgestaan door een tolk. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Ontvankelijkheid
2. De minister stelt allereerst dat de impact van het incident dat ten grondslag ligt aan de maatregel al door de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2025 is bevestigd. Deze uitspraak zag op een eerder opgelegde maatregel die gebaseerd was op hetzelfde incident. Het onderhavige beroep ziet op een herhaalbesluit omdat eiser de HTL tussentijds heeft verlaten. Omdat de rechtbank het beroep inhoudelijk ongegrond heeft verklaard heeft eiser volgens de minister geen belang meer bij het onderhavige beroep. Primair is de minister daarom van mening dat het beroep niet ontvankelijk is. Subsidiair stelt de minister dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard, omdat vaststaat dat het incident terecht heeft geleid tot plaatsing in de HTL.
2.1.
De rechtbank overweegt dat de stelling van de minister, dat het beroep niet ontvankelijk is, niet slaagt. Het besluit dat in dit beroep getoetst wordt is een ander besluit dan getoetst is in de uitspraak van 3 juni 2025. Tegen dit nieuwe plaatsingsbesluit kan beroep in worden gesteld. Dat beide besluiten zien op hetzelfde incident doet hier niet aan af. Het subsidiaire standpunt van de minister wordt hierna beoordeeld.
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. De verslaglegging van het COa maakt melding van de volgende feiten. Eiser heeft op 7 april 2025 op enig moment medebewoners bespuugd. Uit camerabeelden van de COa-locatie volgt dat eiser een medebewoner heeft achtervolgd met een mes in zijn handen, en dat hij de medebewoner meerdere keren heeft proberen te steken. Hierbij heeft hij de medebewoner met het mes verwond op zijn arm. Toen eiser zich daarna met COa-medewerkers in zijn unit bevond heeft hij een medewerker opzettelijk geduwd. Daarna heeft eiser COa-medewerkers in het Arabisch bedreigd door uitingen als “ik ben ex-crimineel, ik kom uit de maffia, als ik nu mijn maffia-vrienden bel is dit hele AZC plat” en “Ik neuk jullie allemaal”. Hierbij bedreigde hij ook een medebewoner.
3.1.
Eiser stelt dat de omschrijving van de camerabeelden door het COa haaks staat op hoe de strafrechter de beelden heeft beoordeeld. Eiser is vrijgesproken van de poging tot doodslag, en uit een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal volgt dat de politieagent geen mes heeft gezien maar een rol aluminiumfolie. Dit maakt dat onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd dat er een incident met grote of zeer grote impact heeft plaatsgevonden door het gedrag van eiser. Eiser betwist ook de overige gedragingen in de weergave van het incident. Eiser stelt de afgelopen jaren nooit negatief in beeld te zijn geweest bij het COa. Er is geen sprake van een of meer incidenten die het opleggen van een htl-maatregel rechtvaardigen.
3.2.
De minister heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact, en stelt dat dit door de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2025 is bevestigd. Gelet op het besluit stelt de minister zich primair op het standpunt dat het gedeelte van het incident met het mes reeds een zeer grote impact oplevert die de plaatsing in de HTL rechtvaardigt. Subsidiair is de minister van mening dat de overige gedragingen gedurende het incident tezamen maken dat er sprake was van een incident met zeer grote impact.
Oordeel rechtbank
4. De rechtbank ziet in de nieuwe feiten en omstandigheden, te weten de vrijspraak door de strafrechter en het proces-verbaal van de verbalisant, reden om ten aanzien van het voorhanden hebben en gebruiken van het mes tot een ander oordeel te komen dan in de uitspraak van 3 juni 2025. Op basis van deze nieuwe feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het door het COa beschreven feitenrelaas, voor zover dit ziet op het dreigen en steken met het mes, onvoldoende aannemelijk is gemaakt en niet aan de maatregel in dit besluit ten grondslag kan worden gelegd.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het COa de rest van het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat eiser een medebewoner heeft bespuugd, een medewerker heeft geduwd en dreigementen heeft geuit aan het adres van medewerkers en medebewoners. De stelling dat van die dreigementen geen sprake is geweest nu de medewerkers het heeft over dreigementen die in het Arabisch zijn geuit en eiser Farsi spreekt, treft geen doel. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij ook Arabisch spreekt. Ook de stelling dat niet hij maar de medewerker is begonnen met de agressie leidt niet tot een andere conclusie. Voor die stelling biedt de verslaglegging geen enkele steun. Dat de verslaglegging voor zover het eisers handelen met een mes niet wordt gevolgd betekent niet dat aan de rest van de verslaglegging moet worden getwijfeld.
4.2.
Het voorgaande brengt met zich mee dat eiser (herhaaldelijk) fysiek en agressief gedrag heeft vertoond, met als doel om de ander (medewerkers en medebewoners) ernstig te kleineren, ernstig te bedreigen of ernstige fysieke schade toe te brengen. Hierbij zijn medebewoners en medewerkers aangetast in hun veiligheidsgevoel.
5. De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken.
6. De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
7. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, op 6 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
2.Vreemdelingenwet 2000.