ECLI:NL:RBDHA:2025:14577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
25.29557 en AWB 25/13756
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van twee beroepen tegen besluiten van het COA en de minister van Asiel en Migratie met betrekking tot vrijheidsbeperkende maatregelen

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025, beoordeelt de rechtbank twee beroepen van eiser, een Syrische vreemdeling, tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betreft een plaatsingsbesluit van het COA van 8 juni 2025, waarbij eiser in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen is geplaatst. Het tweede beroep is gericht tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die door de minister is opgelegd op dezelfde datum. Eiser heeft op 15 juli 2025 gronden van beroep ingediend, waarop het COA op 24 juli 2025 heeft gereageerd.

De rechtbank heeft de beroepen op 25 juli 2025 behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, terwijl de minister en het COA ook door hun gemachtigden aanwezig waren. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en oordeelt dat de beroepen ongegrond zijn. Eiser heeft geen gelijk gekregen en er wordt geen vergoeding van de proceskosten toegekend. De rechtbank legt uit dat het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit, waarbij eiser op 4 juni 2025 werd aangehouden voor schennis van de eerbaarheid, een grote impact heeft gehad op de veiligheid van medebewoners en medewerkers van de opvanglocatie.

De rechtbank concludeert dat het COA terecht heeft besloten tot de oplegging van de HTL-maatregel, gezien de ernst van het incident en de eerdere gedragingen van eiser. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en verklaart dat tegen de uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29557 en AWB 25/13756

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 8 juni 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser per 8 juni 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [1] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw [2] op te leggen.
1.1.
Eiser heeft op 15 juli 2025 gronden van beroep ingediend. Het COa heeft op 24 juli 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en daarom ook geen vergoeding van de proceskosten. Hierna legt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wettelijk kader
3. Het incident van 4 juni 2025, dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit, heeft plaatsgevonden buiten de COa-locatie waar eiser verbleef. Op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (hierna: Rva) is een htl-plaatsing mogelijk bij incidenten die buiten de opvangvoorziening plaatsvinden. Deze bevoegdheid is uitgewerkt in onderdeel 4.3.6 van het Maatregelenbeleid van het COa zoals dat geldt sinds 28 mei 2025.
3.1.
In onderdeel 4.3.6 van het Maatregelenbeleid COa zijn, aanvullend op de reguliere voorwaarden voor een htl-plaatsing, een tweetal voorwaarden gesteld voor het kunnen opleggen van een HTL-maatregel bij overlast die buiten de opvanglocatie is veroorzaakt.
  • De gedraging zorgt voor onrust. De overlastgevende gedraging heeft zo’n impact dat het, ook al is het buiten de locatie begaan, het verblijf van de vreemdeling tot onrust en onbegrip leidt bij collega’s en bewoners op locatie;
  • Er is ook aangifte gedaan bij de politie van het betreffende incident. Het opleggen van de htl-maatregel is geen vervanging voor het strafrechtelijk kader en het optreden van politie en het OM. Het is een maatregel die het COA oplegt vanwege de impact die het betreffende incident buiten de opvangvoorziening heeft op de bewoner zelf, de medebewoners en/of de medewerkers.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
4. Uit de verslaglegging van het COa blijkt het volgende. Eiser is op 4 juni 2025 aangehouden door de politie vanwege schennis van de eerbaarheid. Eiser is zonder toestemming een paardenstal binnengegaan waar zich een meisje van 14 bevond. Eiser heeft zich, in de stal of al daarvoor, ontdaan van al zijn kleding en is gehurkt in een hoek van de stal gaan zitten. Toen het meisje hem opmerkte is ze gillend naar haar ouders gerend, waarna de politie is ingelicht. Eiser is door omstanders vastgehouden tot de politie ter plaatse was. Tijdens de aanhouding verzette eiser zich, en zou hij zich tegen twee vrouwelijke agenten zowel verbaal als fysiek onzedelijk hebben gedragen. Zowel de ouders van het meisje als de twee agentes hebben aangifte gedaan tegen eiser.
Beroepsgronden eiser
5. Eiser voert aan dat niet is gebleken van een dusdanige impact op medewerkers of medebewoners van de COa-locatie dat de maatregel een plaatsing in de HTL rechtvaardigt. Ook was het geen medewerker of medebewoner die aangifte heeft gedaan. Uit de motivering van het plaatsingsbesluit volgt niet dat bewoners zich daadwerkelijk onveilig voelen of dat het bij medewerkers zorgt voor meer werkdruk, stress of vermoeidheid. Ook wordt niet gemotiveerd waarom dit incident wordt gekwalificeerd als een incident met grote impact. Bovendien is één incident van grote impact onvoldoende, en is voor eerdere incidenten reeds een HTL-maatregel opgelegd.
5.1.
Ook voert eiser aan dat hij kampt met ernstige psychische problematiek waar hij tot nog toe niet aan is behandeld. Gezien de problematiek, de beperkte toerekenbaarheid en het feit dat een eerdere HTL-maatregel niet heeft geleid tot gedragsverandering, is de maatregel niet passend. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter of meer passend middel.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke verslaglegging van het COa. Hierbij is van belang dat de verslaglegging is gebaseerd op verklaringen van de politie. Ook heeft eiser het incident als zodanig niet betwist.
6.1.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact omdat het gezien kan worden als een gedraging met als doel de ander ernstig te kleineren of te bedreigen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier gaat om onzedelijk handelen in de besloten ruimte van een paardenstal. Een ruimte die naar de rechtbank aanneemt voor het slachtoffer vertrouwd was. Daarbij is ook van belang dat het gaat om handelingen tegenover een minderjarig meisje. Dat er strafrechtelijk gezien zwaardere zedendelicten zijn dan schennispleging, staat niet in de weg aan de hiervoor genoemde conclusie.
6.2.
Ten aanzien van de aanvullende voorwaarden voor incidenten buiten de opvanglocatie overweegt de rechtbank het volgende. Aan de eerste voorwaarde, te weten dat de gedraging zorgt voor onrust op de locatie, is voldaan. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting voldoende toegelicht dat het incident ervoor heeft gezorgd dat medebewoners zich zorgen maken over de veiligheid van met name hun minderjarige kinderen. Ook aan de tweede voorwaarde is voldaan, er is namelijk aangifte gedaan door het slachtoffer en door twee agentes die betrokken waren bij de aanhouding. De rechtbank oordeelt daarom dat een HTL-maatregel voor het incident van 4 juni 2025 mocht worden overwogen.
6.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. De rechtbank acht hierbij van belang dat er al eerder incidenten met een onzedelijk karakter hebben plaatsgevonden, dat eiser de problemen rondom zijn gedrag lijkt te ontkennen en vrijwillige behandeling vermijdt. Eerdere maatregelen hebben ook niet hebben geleid tot een gedragsverandering. In eisers gedrag is een patroon te zien van toenemende ernst van onzedelijke incidenten, voornamelijk gericht tegen minderjarigen of jonge vrouwen. Naast de noodzaak om eisers gedrag te de-escaleren, en te komen tot een gedragsverandering is de plaatsing ook nodig om de veiligheid van andere bewoners op de reguliere opvang te kunnen garanderen.
7. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
8. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, op 6 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
2.Vreemdelingenwet 2000.