In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025, beoordeelt de rechtbank twee beroepen van eiser, een Syrische vreemdeling, tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betreft een plaatsingsbesluit van het COA van 8 juni 2025, waarbij eiser in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen is geplaatst. Het tweede beroep is gericht tegen een vrijheidsbeperkende maatregel die door de minister is opgelegd op dezelfde datum. Eiser heeft op 15 juli 2025 gronden van beroep ingediend, waarop het COA op 24 juli 2025 heeft gereageerd.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 juli 2025 behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, terwijl de minister en het COA ook door hun gemachtigden aanwezig waren. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en oordeelt dat de beroepen ongegrond zijn. Eiser heeft geen gelijk gekregen en er wordt geen vergoeding van de proceskosten toegekend. De rechtbank legt uit dat het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit, waarbij eiser op 4 juni 2025 werd aangehouden voor schennis van de eerbaarheid, een grote impact heeft gehad op de veiligheid van medebewoners en medewerkers van de opvanglocatie.
De rechtbank concludeert dat het COA terecht heeft besloten tot de oplegging van de HTL-maatregel, gezien de ernst van het incident en de eerdere gedragingen van eiser. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en verklaart dat tegen de uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.