In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die aan eiser was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De maatregel was gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, en eiser had beroep ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring op 31 juli 2025 was opgeheven, en dat eiser zich akkoord had verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of eiser recht had op schadevergoeding, aangezien de bewaring was opgeheven voordat het verzoek om opheffing was behandeld.
Eiser, van Palestijnse afkomst, voerde aan dat er geen redelijk vermoeden was van illegaal verblijf. De rechtbank oordeelde echter dat de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico op onderduiken en het zicht op overdracht naar Frankrijk, voldoende waren onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die erop wezen dat de maatregel onrechtmatig was geweest tot het moment van opheffing. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd openbaar gemaakt en er werd melding gemaakt van de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.