Eiser diende een Woo-verzoek in voor openbaarmaking van documenten over herstelwerkzaamheden aan de N211 tussen 2015 en 2024. Verweerder stelde het verzoek buiten behandeling wegens vermeend misbruik van recht, gebaseerd op kenmerken van eiser en eerdere procedures. Eiser betwistte dit en voerde aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom sprake zou zijn van misbruik.
De rechtbank overwoog dat het bestuursorgaan het verzoek niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van twee weken buiten behandeling had gesteld en onvoldoende had aangetoond dat het besluit onverwijld na het constateren van misbruik was genomen. Ook was onduidelijk wanneer verweerder kennis nam van relevante informatie en de uitspraak van het gerechtshof die als doorslaggevend werd gezien.
Gelet hierop kon niet worden vastgesteld dat sprake was van misbruik van recht in de zin van artikel 4.6 Woo. De rechtbank vernietigde het besluit tot buiten behandeling stellen, herroept het primaire besluit en draagt verweerder op binnen 12 weken een inhoudelijke beslissing op het Woo-verzoek te nemen. Het beroep is gegrond verklaard en verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.