ECLI:NL:RBDHA:2025:14713

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
NL23.8117
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugkeerbesluit en inreisverbod in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, had tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beroep ingesteld. Dit besluit, genomen op 22 februari 2023, hield in dat eiser onmiddellijk diende terug te keren naar Marokko en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd kreeg. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting beoordeeld, waarbij eiser zijn procesbelang heeft aangetoond ondanks dat verweerder stelde dat hij onbekend was vertrokken.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser ten tijde van het besluit niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat de gronden voor het terugkeerbesluit niet zijn betwist. Eiser had weliswaar een lopende procedure in Spanje, maar de rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de omstandigheden van eiser. De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod terecht waren opgelegd, en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.8117

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1977 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Bij het bestreden besluit is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waaruit blijkt dat hij onmiddellijk dient terug te keren naar Marokko, omdat hij niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland. [2] Verder is aan hem een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. [3] Verweerder heeft overwogen dat het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [4] vermeld dat eiser:
  • 3b. zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
  • 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden [5] vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon-of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn individuele omstandigheden. Eiser heeft namelijk een lopende procedure in Spanje. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar de in beroep overgelegde documenten aangaande zijn verblijfsstatus in Spanje. Verweerder had hierover moeten doorvragen tijdens het gehoor. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met het Unierecht.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Verweerder benoemt in zijn verweerschrift dat onbekend is waar eiser verblijft en of hij nog contact heeft met zijn gemachtigde.
5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de bestuursrechter voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding [6] , zodat het fundamentele belang van het recht op toegang tot de rechter en het bieden van doeltreffende en effectieve rechtsbescherming kan worden gewaarborgd. [7] Nu uit het dossier een dergelijke melding ontbreekt en verweerder dit slechts in het verweerschrift benoemt zonder enige onderbouwing, kan niet worden vastgesteld dat eiser daadwerkelijk met onbekende bestemming is vertrokken en hij om die reden geen prijs meer stelt op een beoordeling van het bestreden besluit. Gelet hierop is sprake van procesbelang bij eiser.
6. Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het uitvaardigen van het bestreden besluit niet rechtmatig in Nederland was. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de gronden die aan het bestreden besluit ten grondslag liggen niet heeft betwist. Reeds hieruit blijkt een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat verweerder niet gehouden was eiser een termijn voor vrijwillig vertrek te bieden.
7. Verweerder heeft eiser voorafgaand aan het bestreden besluit op zorgvuldige wijze gehoord en heeft daarbij onder meer aan eiser gevraagd of hij rechtmatig verblijf heeft in Nederland of in een ander Europees land. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij in het verleden twee jaar rechtmatig verblijf in Spanje heeft gehad. [8] Daarnaast heeft eiser tijdens het gehoor herhaaldelijk aangegeven in Nederland te willen blijven dan wel mogelijk naar Spanje te willen vertrekken, [9] maar niet dat hij een lopende procedure in Spanje heeft. Op de vraag of er omstandigheden zijn die ertoe kunnen leiden dat van het terugkeerbesluit wordt afgezien, antwoordt eiser dat hij niet terug wil naar Marokko en hard aan het werk is om voldoende geld te verdienen waarmee hij naar Spanje kan gaan om daar papieren te regelen. Deze omstandigheden heeft verweerder voldoende betrokken in zijn besluitvorming, zodat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met het Unierecht. De in beroep overgelegde documenten waaruit zou moeten blijken dat eiser thans rechtmatig verblijf heeft in Spanje maakt het terugkeerbesluit niet onrechtmatig. Gelet op de ex tunc-toets kunnen feiten en omstandigheden van na het besluit immers geen rol spelen in de beoordeling door de rechtbank.
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft daarbij terecht een inreisverbod opgelegd.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 augustus 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Op grond van artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
6.Melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
8.Proces-verbaal van gehoor van 22 februari 2023, p. 2.
9.Proces-verbaal van gehoor van 22 februari 2023, p. 2.