ECLI:NL:RBDHA:2025:14728

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
NL24.11978
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van de mvv-aanvraag voor een Guinese eiseres met betrekking tot gezinshereniging

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, wordt het beroep van een Guinese eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel 'familie en gezin' beoordeeld. De eiseres, die in Guinee is getrouwd met haar referent, een Sierraleoonse man die in Nederland woont, heeft op 1 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning. De aanvraag werd op 20 januari 2023 afgewezen omdat eiseres niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling van dit vereiste. De rechtbank heeft op 17 juli 2025 de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister van Asiel en Migratie aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank stelt vast dat eiseres in Nederland nooit een verblijfsvergunning heeft gehad en dat haar familie- en gezinsleven in Nederland is opgebouwd terwijl zij illegaal verbleef. De rechtbank concludeert dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de belangenafweging in het voordeel van het algemeen belang uitvalt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn die maken dat de afwijzing van haar aanvraag in strijd is met het EVRM. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de verzoeken om vergoeding van griffierecht en proceskosten af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11978

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij haar echtgenoot [naam 1] (hierna: referent).
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

(Totstandkoming van) het besluit

1. Eiseres heeft de Guinese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Zij is in Guinee op 6 mei 2017 getrouwd met referent die in Nederland woonachtig is en de Sierraleoonse nationaliteit heeft. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en heeft twee inmiddels meerderjarige kinderen uit een eerder huwelijk. Deze kinderen van referent wonen in Nederland bij hun moeder. Eiseres is na de zomer van 2021 met een visum kort verblijf naar Nederland gekomen en is, nadat de geldigheid van dit visum was verlopen, in Nederland gebleven. Eiseres heeft op 1 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiseres en referent hebben samen drie kinderen. Ten tijde van het bestreden besluit woonden hun twee oudste kinderen in Guinee en was hun jongste kind nog niet geboren.
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel verblijf bij referent met het besluit van 20 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Verweerder legt aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv en ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. De afwijzing is volgens verweerder niet in strijd met het artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), omdat niet is gebleken van beschermenswaardig privéleven in Nederland. Eiseres is immers nog niet zo lang in Nederland. Daarnaast is niet gebleken van beschermenswaardig familieleven tussen referent en zijn twee kinderen uit een eerder huwelijk. Er is wel beschermenswaardig familieleven tussen eiseres en referent maar de belangenafweging valt in het nadeel van eiseres uit. Afwijzing van de aanvraag is niet in strijd met de hardheidsclausule, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de afwijzing in strijd met artikel 8 van het EVRM?
6. Niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het beoogde verblijfsdoel. Ter beoordeling staat of eiseres diende te worden vrijgesteld van dit vereiste omdat het tegenwerpen van het niet voldoen aan het mvv-vereiste strijdig is met artikel 8 van het EVRM.
7. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen vrijstelling van het mvv-vereiste heeft verleend. Afwijzing van de aanvraag is namelijk in strijd met haar recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De in dit kader gemaakte belangenafweging is niet zorgvuldig tot stand gekomen. Niet alle elementen zijn kenbaar in de belangenafweging meegewogen. Zo is de arbeid die referent in Nederland verricht niet meegenomen in de belangenafweging en evenmin de omstandigheid dat hij die inkomstenbron en sociale arbeidsrelaties bij vertrek naar Guinee zou moeten opgeven. Ook is niet meegewogen dat eiseres en referent ten tijde van de besluitvorming samen twee minderjarige kinderen hadden die een mvv-aanvraag hadden ingediend. Daarnaast is volgens eiseres ten onrechte niet in het voordeel van haar en referent meegenomen dat referent twee kinderen heeft wonen in Nederland. Dat referent niet heeft aangetoond veel contact met deze kinderen te hebben, betekent niet dat in de belangenafweging hieraan niet een bepaald gewicht moet worden toegekend. Tot slot is ook niet meegenomen dat referent de Sierraleoonse nationaliteit heeft en evenmin is vastgesteld dat hij zich in Guinee mag vestigen met eiseres. Er is aldus ook geen ‘fair balance’ gemaakt van de belangen van de Nederlandse Staat en de belangen van eiseres en referent, aldus eiseres.
7.1.
Verweerder heeft aangenomen dat eiseres in Nederland familie- en gezinsleven met referent heeft in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het belang van eiseres bij de uitoefening van haar familie- en gezinsleven in Nederland en anderzijds het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiseres in Nederland. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de toetsing van een dergelijke belangenafweging, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485, volgt dat de rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid.
7.2.
Verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres in Nederland nooit een verblijfsvergunning heeft gehad, dat het hier dus gaat om eerste toelating en dat eiseres in Nederland familie- en gezinsleven heeft opgebouwd/geïntensiveerd terwijl zij illegaal in Nederland verbleef. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat hij hiermee door eiseres voor een voldongen feit is gesteld. Dit standpunt van verweerder is in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op dit punt, waaronder de uitspraak in de zaak Jeunesse tegen Nederland van 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, en de uitspraak van 4 december 2012 in de zaak Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709. Uit deze rechtspraak volgt dat als het familie- en gezinsleven is ontstaan en geïntensiveerd in een gastland waar de vreemdeling geen dan wel een precair verblijfsrecht had, uitzetting van die vreemdeling slechts in ‘uitzonderlijke omstandigheden’ (exceptional circumstances) in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
7.3.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er zich op het punt van het familie- en gezinsleven uitzonderlijke omstandigheden, zoals hiervoor bedoeld, voordoen die maken dat de belangenafweging in haar voordeel moet uitvallen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder, anders dan eiseres stelt, alle van belang zijnde feiten en omstandigheden heeft betrokken in de besluitvorming. De stelling van eiseres dat verweerder in de besluitvorming ten onrechte niet heeft meegenomen dat referent bij vertrek naar Guinee zijn inkomstenbron en sociale arbeidsrelaties moet opgeven, volgt de rechtbank niet. Eiseres heeft immers in de gronden van bezwaar niet gesteld dat van referent niet kan worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden in Nederland opzegt of dat hij vanwege zijn beroep op Nederland is aangewezen. Dat had wel op haar weg gelegen. Verweerder hoefde in de besluitvorming dan ook niet meer overwegingen aan de inkomsten van referent in Nederland te wijden dan hij al heeft gedaan. Anders dan eiseres, leidt de rechtbank uit het bestreden besluit bovendien af dat enig gewicht is toegekend door verweerder aan de omstandigheid dat referent voldoende inkomsten heeft, omdat dat in het voordeel van eiseres is meegewogen. Ook de stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte in de besluitvorming niet heeft betrokken dat zij samen met referent twee minderjarige kinderen heeft wonen in Guinee en dat voor hen een mvv-procedure is opgestart, maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldig gemaakte belangenafweging. In de gronden van bezwaar is slechts gesproken over twee kinderen van eiseres die nog wonen in Guinee en die omstandigheid is betrokken in de belangenafweging. Dat deze kinderen ook de kinderen zijn van referent en dat er reeds een mvv-procedure voor hen is opgestart, is door eiseres niet aangevoerd in de bezwaarfase, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Verweerder hoefde hiermee dan ook geen rekening te houden in de belangenafweging. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat deze kinderen de achternaam van referent dragen, zoals ter zitting desgevraagd door eiseres is toegelicht. Ook de stelling van eiseres dat verweerder niet alle gewicht kon ontzeggen aan de omstandigheid dat referent twee kinderen heeft wonen in Nederland, maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldig gemaakte belangenafweging. Verweerder heeft in dit kader terecht opgemerkt dat gesteld noch gebleken is dat referent contact heeft met zijn kinderen. Eiseres heeft verder niets aangevoerd op grond waarvan toch niet van referent kan worden verwacht dat hij eiseres volgt naar Guinee of dat hij vanwege zijn kinderen is aangewezen op Nederland. Verweerder heeft aan de omstandigheid dat referent twee meerderjarige kinderen heeft wonen in Nederland dan ook niet ten onrechte een beperkt gewicht toegekend in de belangenafweging. Tot slot kunnen ook de stellingen van eiseres dat referent niet de Guinese nationaliteit heeft en dat het duurzaam vestigen in een land waar je niet de nationaliteit van draagt iets heel anders is dan trouwen in dat land, niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat uit dossieronderzoek is gebleken dat referent vaker in Guinee is geweest, dat hij aldaar ook met eiseres gehuwd is op 6 mei 2017 en dat het daarom wel aannemelijk is dat hij zich in Guinee zou kunnen vestigen. Ook heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres geen inkomsten kan genereren in Guinee. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken dat referent zich niet zou kunnen aanpassen in Guinee of dat het onmogelijk is om gezins- en familieleven uit te oefenen in Guinee. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dan toch niet van referent kan worden verlangd dat hij zich in Guinee vestigt, terwijl dit wel op haar weg lag. Bovendien heeft verweerder terecht opgemerkt dat referent niet naar Guinee hoeft te verhuizen en dat eiseres en referent ook op afstand gezins- en familieleven kunnen blijven voortzetten, zoals zij de jaren voor eiseres’ komst naar Nederland ook hebben gedaan. Tot slot is van belang dat het vooralsnog ook gaat om een tijdelijk verblijf in Guinee in afwachting van de mvv-aanvraag.
7.4.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij bij de afweging tussen enerzijds het algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en anderzijds het persoonlijk belang van eiseres bij de uitoefening van hun familie- en gezinsleven in Nederland, aan het algemeen belang doorslaggevend gewicht toekent. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 december 2024 in de zaak Martinez Alvarado t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2024:1210JUD000447021, kan daaraan niet afdoen, omdat het in deze zaak, anders dan in die zaak, niet van doorslaggevend belang is dat de betreffende kinderen van referent thans niet meer minderjarig zijn.
7.5.
Dit betekent dat verweerder eiseres niet heeft hoeven vrij te stellen van het mvv-vereiste en dit terecht aan haar heeft tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de hoorplicht geschonden?
8. Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Daarbij doet zij een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918).
8.1.
Van het horen in bezwaar mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Allereerst is in dit kader van belang dat verweerder eiseres, naar aanleiding van haar aanvraag, bij brief van 19 december 2022, in de gelegenheid heeft gesteld om te onderbouwen dat referent beschermenswaardig familieleven heeft met zijn twee in Nederland wonende kinderen uit een eerder huwelijk en dat zij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. In het primaire besluit staat daarover opgemerkt dat er op geen enkele wijze is aangetoond dat referent omgang heeft met zijn kinderen en dat aan het familieleven tussen referent en zijn kinderen op afstand invulling kan worden gegeven. In bezwaar is dit niet betwist en er is ook geen andere informatie verstrekt over referents meerderjarige kinderen. Daarnaast is van belang dat eiseres in de bezwaarfase niet heeft aangevoerd dat haar twee in Guinee wonende kinderen, ook kinderen van referent zijn noch dat ten behoeve van hen een mvv-procedure is gestart, zodat verweerder geen reden heeft hoeven te zien om hierover in een hoorzitting nadere informatie te verkrijgen. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van eiseres om verweerder ervan op de hoogte stellen dat er een procedure loopt over een mvv-aanvraag van haar kinderen, die van belang zou kunnen zijn voor de beoordeling van haar aanvraag. Bovendien heeft eiseres desgevraagd ter zitting verklaard dat de kinderen de achternaam hebben van referent. Niet kon en mocht dan ook worden verwacht dat verweerder er van op de hoogte was dat er een mvv-aanvraag was ingediend voor de kinderen van eiseres. Verder is van belang dat eiseres bij voormelde brief van 19 december 2002 in de gelegenheid is gesteld om aan te geven of er redenen zijn waardoor van referent niet kan worden verlangd dat hij naar Guinee vertrekt en dat zij hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Zoals hiervoor ook met betrekking tot onder meer de inkomsten van referent en zijn nationaliteit is overwogen, heeft eiseres in dit kader in bezwaar geen nieuwe feiten naar voren gebracht. Eiseres stelt in het pro forma bezwaarschrift nog wel dat zij in bezwaar wil worden gehoord, maar welk belang zij daarbij heeft, heeft zij niet specifiek benoemd en ook in de aanvullende gronden van bezwaar zijn hierover door eiseres verder geen opmerkingen gemaakt. Eiseres voldoet aldus niet aan de omstandigheden genoemd in rechtsoverweging 5.2. van de Afdelingsuitspraak van 6 juli 2022. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiseres een beroep doen op de hardheidsclausule?
9. Voor zover eiseres met de in het kader van artikel 8 van het EVRM naar voren gebrachte omstandigheden eveneens een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit heeft willen doen, overweegt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat vasthouden aan het mvv-vereiste tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt. Zoals uit overweging 7.3 valt af te leiden, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat het voor haar ondoenlijk of zeer lastig is om, al dan niet samen met referent, naar Guinee te gaan en vanuit dat land de mvv-procedure te doorlopen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.