ECLI:NL:RBDHA:2025:14759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.33499
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf en de beoordeling van de maatregel door de rechtbank

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 7 augustus 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een vreemdeling, eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De minister van Asiel en Migratie heeft op 22 juli 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op basis van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft de zaak op 30 juli 2025 behandeld, maar de zitting moest worden geschorst vanwege technische problemen. De zitting is op 6 augustus 2025 hervat.

Eiser, die stelt dat hij geboren is in 2002 en de Marokkaanse nationaliteit heeft, betwist de rechtmatigheid van de bewaring. Hij heeft verklaard zelfstandig naar Frankrijk te willen terugkeren, waar hij een minderjarige zoon heeft. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de minister de maatregel van bewaring terecht heeft opgelegd, omdat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank heeft de gronden voor de bewaring, zowel de zware als de lichte gronden, als feitelijk juist en voldoende toegelicht beschouwd.

Eiser heeft ook aangevoerd dat er een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, maar de rechtbank volgt deze redenering niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn. Daarnaast heeft eiser geklaagd over de voortvarendheid van de minister in de uitzettingsprocedure, maar ook deze klacht wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank concludeert dat de bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond, evenals het verzoek om schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33499

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal en mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk 1]. Vanwege technische problemen met de verbinding met het detentiecentrum te Rotterdam is de behandeling ter zitting geschorst en aangehouden. De zitting is opnieuw aangevangen op 6 augustus 2025. Daarbij is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk 2]. Verweerder heeft zich bij beide zittingen laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Verweerder heeft gelet op het ontbreken van rechtmatig verblijf de maatregel terecht gebaseerd op artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat hij heeft verklaard zelfstandig te willen terugkeren naar Frankrijk. Hij heeft daar een minderjarige zoon. Eiser was bezig met het verkrijgen van documenten. Eiser ontkent dat de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) herhaaldelijk heeft geprobeerd om met hem in gesprek te gaan en dat hij dat geweigerd heeft.
4. Voor zover eiser hiermee opkomt tegen de zware grond 3i slaagt deze beroepsgrond niet. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de twee verslagen van de DT&V van 10 juli 2025 waaruit volgt dat eiser heeft verklaard niet in gesprek te willen gaan met de DT&V. Verweerder heeft daarom de zware grond 3i aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Eiser heeft de overige gronden die aan de bewaring ten grondslag liggen niet betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Hiermee heeft verweerder gemotiveerd dat sprake is van een risico dat eiser zich aan zijn uitzetting onttrekt. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen.
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring. Aan eiser had een meldplicht opgelegd moeten worden.
6. De rechtbank volgt dit niet. Verweerder heeft voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het aan te nemen risico op onttrekking te ondervangen. Verweerder heeft daarbij terecht betrokken dat eiser herhaaldelijk heeft verklaard naar Frankrijk te willen omdat hij stelt daar een zoon te hebben. Zoals verweerder ook ter zitting heeft opgemerkt, bevestigt dit juist het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en niet zelfstandig zal terugkeren naar zijn land van herkomst. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt of dat het ondergaan van de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is.
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Verweerder heeft nog geen antwoord ontvangen op de aanvragen voor een laissez-passer (LP) die voor eiser zijn ingediend. Verweerder had daarom moet rappelleren bij de Marokkaanse en Algerijnse autoriteiten. Daarnaast is eiser aangemeld bij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Echter onduidelijk is wat de voortgang is.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Verweerder heeft op 25 juli 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op 29 juli 2025 is wederom getracht een vertrekgesprek met eiser te voeren maar eiser heeft dit gesprek met de DT&V geweigerd. Ter zitting heeft verweerder gemeld dat op 29 juli 2025 de lp-aanvraag voor eiser naar Marokko is verstuurd en op 31 juli 2025 aan de Algerijnse autoriteiten. Voor zover verweerder daarnaast nog niet heeft gerappelleerd naar aanleiding van de lp-aanvragen of dat eiser nog niet van het IOM gehoord heeft, leidt dat niet tot de conclusie dat verweerder daardoor onvoldoende voortvarend werkt aan eiser uitzetting.
9. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.