ECLI:NL:RBDHA:2025:14760

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.33907
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak met verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 7 augustus 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die aan eiser was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, een Poolse nationaliteitdrager, had tegen het besluit van 24 juli 2025 beroep ingesteld, waarin de maatregel van bewaring was opgelegd op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring op 5 augustus 2025 is opgeheven, omdat eiser was uitgezet naar Polen. De rechtbank heeft zich in deze uitspraak beperkt tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding, nu de bewaring was opgeheven voordat het verzoek om opheffing was behandeld.

De rechtbank heeft overwogen dat de gronden voor de bewaring niet zijn betwist door eiser en dat deze gronden voldoende zijn onderbouwd door verweerder. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om te concluderen dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was. Eiser had aangevoerd dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring, maar de rechtbank heeft dit afgewezen. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, en is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33907

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 5 augustus 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet naar Polen.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1981 en de Poolse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Bij verwijderingsbesluit van 26 oktober 2024, aan eiser uitgereikt op 29 oktober 2024, is vastgesteld dat het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland is geëindigd. Eiser is meermalen vanuit Nederland uitgezet naar Polen. Eiser is herhaaldelijk teruggekeerd naar Nederland. Tot op heden is niet vastgesteld dat eiser zijn eerdere verblijf in Nederland effectief heeft beëindigd. Nu eiser aldus geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, was verweerder bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vw.
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten
of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de gronden die aan de bewaring ten grondslag liggen niet betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Hiermee heeft verweerder gemotiveerd dat sprake is van een risico dat eiser zich aan zijn uitzetting onttrekt. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dan ook dragen.
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring. Verweerder had moeten volstaan met een meldplicht zodat eiser in de gelegenheid werd gesteld om te onderbouwen dat hij zich weer in Nederland kan vestigen. Eiser kan alleen vanuit Nederland huisvestiging regelen, een arbeidscontract ondertekenen en zich in Nederland inschrijven.
7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het aan te nemen risico op onttrekking te ondervangen. Voor zover eiser in de gelegenheid wil worden gesteld om zijn verblijf in Nederland te legaliseren, kan hij dat niet vanuit Nederland bewerkstelligen, nu dat verblijf wordt beschouwd als een voortzetting van zijn eerdere onrechtmatige verblijf in Nederland. Verder is niet gebleken dat eiser detentieongeschikt is of dat het ondergaan van de maatregel voor eiser onevenredig bezwarend is.
8. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enige moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.