In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een eiser, die van Palestijnse afkomst is. De maatregel van bewaring was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 22 juli 2025, op basis van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Op 31 juli 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven, waarna eiser akkoord ging met schriftelijke afdoening van het beroep. De rechtbank heeft op 4 augustus 2025 het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de beoordeling zich beperkt tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding, nu de bewaring is opgeheven. Eiser voerde aan dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was, maar de rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring op basis van de Dublinverordening gerechtvaardigd was. De rechtbank concludeerde dat er voldoende gronden waren voor de maatregel en dat er zicht was op overdracht naar Duitsland, wat op 31 augustus 2025 zou plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd er geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.