ECLI:NL:RBDHA:2025:14766

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.33500
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure met verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 6 augustus 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een eiser, die van Palestijnse afkomst is. De maatregel van bewaring was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 22 juli 2025, op basis van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Op 31 juli 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven, waarna eiser akkoord ging met schriftelijke afdoening van het beroep. De rechtbank heeft op 4 augustus 2025 het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de beoordeling zich beperkt tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding, nu de bewaring is opgeheven. Eiser voerde aan dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was, maar de rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring op basis van de Dublinverordening gerechtvaardigd was. De rechtbank concludeerde dat er voldoende gronden waren voor de maatregel en dat er zicht was op overdracht naar Duitsland, wat op 31 augustus 2025 zou plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd er geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33500

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 31 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 1 augustus 2025 de gronden van het beroep ingediend. De rechtbank heeft op 4 augustus 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Palestijnse afkomst te zijn en te zijn geboren op [datum] 2000.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Redelijk vermoeden van illegaal verblijf
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vermoeden is van illegaal verblijf.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser is opgehouden op grond van artikel 50a, van de Vw, omdat de ophouding noodzakelijk is in verband met het voorbereiden van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Eiser verbleef namelijk als Dublinclaimant tot aan zijn overdracht naar Duitsland rechtmatig in Nederland. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het significante risico op onderduiken aan het toezicht daarmee is gegeven.
Zicht op overdracht
7. Eiser stelt dat er geen zicht is op overdracht binnen een redelijke termijn. Gebleken is echter dat het terugnameverzoek op 10 april 2025 is geaccepteerd. Verder volgt uit de overgelegde bevestiging van opheffing, de M113, dat eiser op 31 augustus 2025 is overgedragen aan Duitsland. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn op enig moment heeft ontbroken. De rechtbank ziet evenmin reden om aan te nemen dat eiser niet daadwerkelijk is overgedragen, gelet op de overgelegde M113. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de gemachtigde van eiser tegemoet te komen in zijn verzoek om schriftelijk bewijs van overdracht.
8. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.