ECLI:NL:RBDHA:2025:14777

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 augustus 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.34020
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag en interstatelijk vertrouwensbeginsel in het kader van Dublinverordening

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, op 6 augustus 2025 uitspraak gedaan in een rekestprocedure betreffende de asielaanvraag van eiser, die de Turkse nationaliteit heeft. Eiser heeft op 18 mei 2025 asiel aangevraagd in Nederland, maar de minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op basis van de Dublinverordening. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld. Eiser stelt dat hij in Duitsland te lang heeft moeten wachten op de voortgang van zijn asielaanvraag en dat hij in detentie heeft gezeten. Hij betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is, omdat hij vreest dat zijn asielaanvraag in Duitsland niet correct zal worden behandeld. De rechtbank overweegt echter dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en dat de Duitse autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek hebben gegarandeerd dat de aanvraag zal worden behandeld volgens de Europese richtlijnen.

De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er redenen zijn om aan te nemen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Het beroep van eiser wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van de proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen hebben de mogelijkheid om verzet aan te tekenen tegen deze beslissing binnen zes weken na verzending.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34020

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 18 mei 2025 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [2] In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening [3] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 14 december 2022 en 4 maart 2025 in Duitsland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 23 juni 2025 een terugnameverzoek gestuurd naar de Duitse autoriteiten. Het terugnameverzoek is op 30 juni 2025 door Duitsland aanvaard.
3. Eiser voert daartegen aan dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zijn asielaanvraag moet in Nederland behandeld worden omdat hij in Duitsland te lang moest wachten en aan het lijntje werd gehouden over de voortgang van zijn asielaanvraag. Hij heeft ook enige tijd in detentie doorgebracht en nadien bleek zijn asielprocedure te zijn afgesloten. Het indienen van een nieuwe asielaanvraag was niet zinvol, nu geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden. Eiser ervaart dit als een systeemfout in de asielprocedure.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Dit heeft de Afdeling [4] geoordeeld in haar uitspraak van 31 oktober 2024. [5] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van uit kan worden gegaan. Eiser is hier niet in geslaagd. De omstandigheid dat eiser een nieuwe asielaanvraag moet indienen in Duitsland is daarvoor onvoldoende. De Duitse autoriteiten hebben met de aanvaarding van het terugnameverzoek gegarandeerd dat eisers (opvolgende) asielaanvraag zal worden behandeld met inachtneming van de Europese richtlijnen en verdragen. Als eiser toch problemen ervaart tijdens zijn asielprocedure, is het aan hem om hierover bij de Duitse autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.