ECLI:NL:RBDHA:2025:14842

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.15910
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Gambiaanse eiser op basis van geloofwaardigheidsbeoordeling en referentiekader

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 7 augustus 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Gambiaanse eiser. De eiser, geboren in 1995, heeft een asielaanvraag ingediend op basis van de vrees voor vervolging in Gambia, omdat zijn vader de leider was van een oppositiepartij. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen als ongegrond, omdat de rechtbank van oordeel is dat de eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt op vervolging. De rechtbank heeft de geloofwaardigheid van de verklaringen van de eiser beoordeeld en geconcludeerd dat er geen concrete vrees is voor vervolging. De rechtbank heeft ook overwogen dat de eiser niet heeft onderbouwd dat hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat, ondanks het overleggen van documenten en mediaberichten. De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. De eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15910

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W. van Hoof).

Procesverloop

In het besluit van 28 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Op 3 juni 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht een aanvullend standpunt in te nemen. Na ontvangst van het aanvullende standpunt van verweerder op 4 juni 2025 en eisers reactie hierop op 30 juni 2025, heeft de rechtbank het onderzoek op 31 juli 2025 opnieuw gesloten.

Overwegingen

Het asielrelaas
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995, de Gambiaanse nationaliteit te hebben en te behoren tot de Foulani bevolkingsgroep. Op 20 november 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zijn vader voor zijn overlijden de leider was van een oppositiepartij in Gambia. Mensen die tot de politieke partij van Jammeh [1] behoorden zijn in eisers huis geweest, op zoek naar zijn vader. Eiser stelt een dag na dit huisbezoek samen met zijn vader uit Gambia te zijn vertrokken. Bij terugkeer naar Gambia vreest eiser voor zijn leven vanwege de mensen die zijn vader wilden mishandelen en vermoorden. Deze mensen zouden onder de huidige president nog steeds aan de macht zijn.
Het bestreden besluit
2. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat de vader van eiser de leider was van een oppositiepartij en de daaruit voortvloeiende problemen (hierna: tweede asielmotief) is in het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling niet beoordeeld. [2] Verweerder overweegt dat eiser bij terugkeer naar Gambia geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade. Zo heeft eisers vrees geen raakvlakken met het Vluchtelingenverdrag [3] en is hij zelf nooit politiek actief geweest. Ook heeft hij geen persoonlijke problemen ondervonden in Gambia. Verder maakt eiser niet inzichtelijk voor wie hij vreest, kan hij deze personen niet specificeren en maakt hij niet inzichtelijk waarop hij baseert dat hij bij terugkeer naar Gambia zal worden gevolgd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de mensen waarvoor hij vreest voor de huidige autoriteiten werkzaam zijn. Daarnaast blijkt uit zijn verklaringen niet dat hij of zijn vader problemen hadden met de autoriteiten op het moment dat zij Gambia verlieten. Eiser maakt niet inzichtelijk waarom hij na het overlijden van zijn vader niet zou kunnen terugkeren naar Gambia, vooral omdat zijn moeder, broers en zussen zonder problemen in Gambia verblijven. Eisers verklaringen bieden geen aanknopingspunten die verklaren waarom hij veertien jaar nadat hij Gambia heeft verlaten nog iets te vrezen heeft vanwege de rol van zijn vader als leider van een oppositiepartij.
3. Op grond van het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Ook legt hij een terugkeerbesluit op waarin staat dat eiser binnen vier weken Nederland moet verlaten en moet terugkeren naar Gambia.
Eisers beroepsgronden
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder zijn referentiekader onvoldoende heeft meegewogen bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat eiser niet heeft onderbouwd waarom er geen rekening is gehouden met zijn referentiekader. Eiser verwijst hierbij naar de zienswijze. Ook heeft verweerder impliciet toch een geloofwaardigheidsoordeel gegeven over het tweede asielmotief en onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet overgaat tot een geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van een concrete vrees van eiser bij terugkeer naar Gambia. Zo heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, [4] niet van toepassing is. Eiser betwist daarnaast dat zijn uitreis legaal was, zijn vader heeft hiervoor namelijk moeten betalen. Voor zover het zou gaan om een legale uitreis, betekent dit volgens eiser niet dat hij niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. [5] Tot slot voert eiser aan dat verweerder niet zonder motivering kan stellen dat de actoren in Gambia geen causaal verband zien tussen de uitreis en de politieke voorkeur van de vader van eiser. Eiser is namelijk direct na de inval uit Gambia vertrokken. Kort voor de zitting en op de zitting heeft eiser diverse documenten overgelegd waarmee hij zijn asielrelaas nader wil onderbouwen, waaronder twee TikTok-video’s waarin hij de huidige president beledigt.. [6] Het juridische kader
5. Uit het beleid van verweerder [7] volgt dat verweerder in het kader van de toets aan artikel 29, eerste en tweede lid, van de Vw, de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven beoordeelt, tenzij hij reden ziet om de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dat geval laat verweerder kenbaar de geloofwaardigheid van het asielrelaas in het midden, met uitzondering van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling.
6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat deze werkwijze van verweerder niet onzorgvuldig is, mits alle verklaringen van de vreemdeling als uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van de zwaarwegendheid. [8] Voor de bestuursrechter betekent dit dat bij de toetsing moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden. Dit is noodzakelijk om de besluitvorming daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te kunnen toetsen.
Het referentiekader en geloofwaardigheidsoordeel
7. De beroepsgronden van eiser met betrekking tot het referentiekader slagen niet. Verweerder heeft volgens zijn beleid gehandeld door de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers tweede asielmotief in het midden te laten en het slechts op zwaarwegendheid te beoordelen. [9] Gelet op de eerder genoemde rechtspraak van de Afdeling vindt de rechtbank dit beleid niet onredelijk. Verweerder heeft zowel in het voornemen als in het bestreden besluit toegelicht hoe hij tot deze conclusie is gekomen. Bij de beoordeling van de zwaarwegendheid wordt door verweerder terecht geen oordeel gegeven over de geloofwaardigheid van eisers verklaringen, maar worden deze verondersteld geloofwaardig te zijn. Door verweerder is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom het referentiekader alleen bij ongeloofwaardige asielmotieven wordt betrokken en dat daar in het geval van eiser geen sprake van is. Voor zover eiser zich beroept op zijn vergeetachtigheid en trauma’s die expliciet moeten worden meegewogen bij de beoordeling van zijn asielrelaas, is door verweerder terecht gesteld dat eiser dit niet heeft onderbouwd met (medische) documenten.
Concrete vrees bij terugkeer
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van een concrete vrees bij terugkeer naar Gambia. Zo heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, niet vergelijkbaar is met eisers situatie, nu eisers toegedichte vrees niet aannemelijk is gemaakt. Eiser heeft zelf verklaard dat hij niet politiek actief is [10] en hij heeft onvoldoende onderbouwd dat de politieke voorkeur van zijn vader na al die jaren nog aan hem kan worden toegedicht. Het door eiser in beroep overgelegde bewijs van het UDP-lidmaatschap van hem en zijn vader doen hier niet aan af, omdat het UDP-lidmaatschap als geloofwaardig wordt verondersteld. Met het overleggen van het bewijs heeft hij echter nog steeds niet onderbouwd dat hij hierdoor in de negatieve belangstelling is komen te staan van de Gambiaanse autoriteiten.
9. Ten aanzien van de legale uitreis overweegt de rechtbank dat eiser zelf heeft verklaard dat hij samen met zijn vader Gambia op legale wijze is uitgereisd en dat zijn vader bij de grensovergang documenten heeft laten zien. [11] Verweerder heeft daarnaast ter zitting verwezen naar openbare bronnen waaruit blijkt dat het bij de grens tussen Gambia en Senegal gangbaar is om geld te moeten betalen om de grens te passeren. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het betalen van een geldbedrag bij de uitreis daarmee niet betekent dat de uitreis ook illegaal is verlopen. Eiser heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een causaal verband tussen de betaling bij de uitreis en de politieke voorkeur van eisers vader. Eisers stelling dat een legale uitreis niet betekent dat hij niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten kan staan doet niet af aan alle overige tegenwerpingen van verweerder.
10. De rechtbank volgt verweerder in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de door eiser overgelegde mediaberichten niet actueel zijn. [12] Daarnaast heeft verweerder ter zitting het standpunt kunnen innemen dat de in beroep overgelegde documenten niet leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn aanvullende standpunt dat eiser zijn politieke mening niet nader heeft onderbouwd en ook gedurende zijn asielprocedure niet van een politieke mening is gebleken. Daarbij heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat hij met zijn TikTok-video’s in de negatieve belangstelling van de Gambiaanse autoriteiten staat noch dat zij op de hoogte zijn van eisers geplaatste video’s. Dat eisers account openbaar is doet hier niet aan af. Hij heeft namelijk niet onderbouwd dat hij een dermate groot bereik heeft dat de Gambiaanse autoriteiten, in de korte tijd dat hij deze video’s post, bekend zijn geraakt met eisers TikTok-account. Ook de door eiser aangehaalde bronnen in reactie op verweerders standpunt leiden niet tot een ander oordeel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Gambia.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 7 augustus 2025 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is de politieke partij van de voormalige president van Gambia, Yahya Jammeh.
2.Dit is mogelijk op grond van artikel 4.1, vijfde en zesde lid, van paragraaf C1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
3.Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2024:23093.
5.Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak met het kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2023:20479.
6.Dit betreft een kopie van eisers geboorteakte; een kopie van de lidmaatschapskaart van de United Democratic Party (hierna: UDP) van eisers vader; een verklaring dat eiser lid is van de UDP; mediaberichten over onrust tussen de UDP en de regeringspartij en recente TikTok-video’s van eiser waarin hij zich over de huidige president beklaagt. Ter zitting overlegt eiser een afschrift van zijn geboorteakte en een bewijs van zijn vaders lidmaatschap aan de oppositiepartij.
7.Zie paragraaf C1/4.1, punt vijf en zes, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
8.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2022:2333.
9.Op grond van paragraaf 4.1 van de Vc.
10.Nader gehoor, pagina 10.
11.Aanmeldgehoor, pagina 10.
12.Het nieuwsbericht dat eiser heeft overgelegd dateert van 17 december 2021 en het andere bericht vermeldt geen publicatiedatum.