ECLI:NL:RBDHA:2025:14843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.9554
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die bij besluit van 26 februari 2025 door verweerder is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag.

Tijdens de zitting op 7 augustus 2025 verschenen partijen niet, ondanks voorafgaande oproepen. De rechtbank constateerde dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde sinds 7 maart 2025. De gemachtigde kon geen informatie verstrekken over het verblijf van eiser.

Gezien deze omstandigheden en vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, concludeerde de rechtbank dat eiser geen belang meer heeft bij de inhoudelijke behandeling van het beroep. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vertrek met onbekende bestemming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9554
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 7 augustus 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Eiser heeft asiel aangevraagd in Nederland. Bij bericht van 19 maart 2025 heeft verweerder laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De rechtbank heeft op 20 maart 2025 de gemachtigde van eiser verzocht aan te geven wanneer zij voor het laatst contact heeft gehad met eiser en op welke wijze dit contact heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van eiser heeft op 20 maart 2025 laten weten dat zij op 7 maart 2025 voor het laatst contact heeft gehad met eiser. Op 29 juli 2025 heeft de rechtbank aan de gemachtigde van eiser verzocht om kenbaar te maken of zij na 20 maart 2025 contact met eiser heeft gehad. De gemachtigde van eiser heeft daarop laten weten dat zij geen contact meer met eiser heeft kunnen krijgen, dat zij niet weet waar eiser verblijft en dat eiser en zijn gemachtigde niet ter zitting zullen verschijnen.
2. Gelet op al deze omstandigheden en de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] neemt de rechtbank aan dat eiser niet langer prijs stelt op de aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. Eiser heeft dan ook geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en het proces-verbaal hiervan is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Onder meer de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.