De rechtbank Den Haag beoordeelde het beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht om een omgevingsvergunning te verlenen voor de legalisatie van twee garageboxen die deels op een ander perceel zijn gesitueerd. De garageboxen maken deel uit van een bouwplan van 37 garageboxen, waarvan de bouw in 2016 werd afgerond. Eiser stelde dat de vergunning onrechtmatig was omdat de twee garageboxen onderdeel zijn van het totaalplan en niet afzonderlijk vergund kunnen worden.
De rechtbank oordeelde dat de twee garageboxen niet als hoofdgebouw kunnen worden aangemerkt omdat zij niet het belangrijkste bouwwerk op het perceel zijn en dat de kruimelgevallenregeling niet juist is toegepast. De garageboxen liggen op een achterterrein dat als één perceel wordt beschouwd en vormen een eenheid met de overige garageboxen. Ook is geen functionele verbondenheid met het hoofdgebouw op het andere perceel aanwezig.
Daarom is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en ontbreekt een draagkrachtige motivering. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens moet verweerder het griffierecht en de proceskosten van eiser vergoeden. Een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen vanwege samenhang met andere zaken.