ECLI:NL:RBDHA:2025:14867
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Kennelijke ongegrondverklaring bezwaar tegen omgevingsvergunning voor dakkapel en dakverhoging
Bij besluit van 29 mei 2024 verleende het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een omgevingsvergunning aan een vergunninghoudster voor het plaatsen van een dakkapel en het verhogen van het dak van een woning in [plaats 1]. Eiser, wonende achter deze woning, maakte bezwaar tegen dit besluit vanwege mogelijke overlast en privacyverlies. Het bezwaar werd door verweerder op 3 september 2024 kennelijk ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het beroep op 20 juni 2025 en overwoog dat het bezwaar kennelijk ongegrond kon worden verklaard omdat het ging om een gebonden beschikking op grond van artikel 2.10 van de Wabo. Dit artikel stelt een limitatief-imperatief stelsel waarbij de vergunning moet worden verleend indien geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Verweerder had vastgesteld dat het bouwplan voldeed aan het bestemmingsplan, het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening en de redelijke eisen van welstand, waardoor geen ruimte was voor een belangenafweging.
De rechtbank stelde vast dat de bezwaren van eiser vooral privaatrechtelijk van aard waren en niet konden leiden tot weigering van de vergunning. De beoordeling van gevolgen voor omwonenden was reeds in het bestemmingsplan verwerkt. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de kennelijke ongegrondverklaring van bezwaar tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.