Eiser diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de minister was opgedragen binnen acht weken te beslissen. Omdat de minister deze termijn niet heeft nageleefd, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
De rechtbank legt de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 250,- per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 37.500,-. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer hij zal beslissen.
Daarnaast krijgt eiser een vergoeding van € 453,50 voor proceskosten en wordt het griffierecht van € 194,- vergoed. De rechtbank wijst een verzoek van de minister tot aanhouding van het beroep af, omdat dit de prikkel tot voortvarend beslissen zou wegnemen. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier S.J. Simorangkir op 24 juni 2025.