Eiser, een Jemenitische nationaliteit, diende op 1 april 2023 een asielaanvraag in die door de minister op 21 augustus 2024 werd afgewezen wegens het ontbreken van een gegronde vrees voor vervolging en een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. De minister baseerde zich op het gewijzigde landenbeleid dat uitgaat van een hoge mate van willekeurig geweld in Jemen, waarbij eiser niet tot een risicogroep zou behoren.
Eiser stelde dat hij persoonlijke problemen had met de Houthi’s, waaronder mishandeling en gevangenneming, en dat hij daardoor een reëel risico loopt. De rechtbank oordeelde echter dat eiser deze persoonlijke problemen onvoldoende aannemelijk had gemaakt, mede omdat hij in het nader gehoor geen dergelijke problemen had verklaard en deze pas in latere beroepsstadia naar voren bracht.
De rechtbank stelde echter vast dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser, gezien de algemene en individuele omstandigheden, geen bescherming verdient. De minister had niet adequaat toegelicht hoe hij de humanitaire situatie, het ambtsbericht, jurisprudentie van het EHRM en het HvJ EU had meegewogen. Hierdoor was het besluit in strijd met het motiveringsbeginsel.
De rechtbank vernietigde het besluit en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.814,- aan eiser.