ECLI:NL:RBDHA:2025:14938

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 augustus 2025
Publicatiedatum
11 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.6396
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring en zicht op uitzetting naar India

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 11 augustus 2025 uitspraak gedaan in een vervolgberoep tegen de maatregel van bewaring van eiser, die de Indiase nationaliteit heeft en in Nederland verblijft. De maatregel van bewaring was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 10 mei 2025, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel, waarbij hij verzocht om schadevergoeding. De rechtbank ontving op 30 juli 2025 een kennisgeving over het voortduren van de maatregel, waarna het onderzoek op 5 augustus 2025 werd gesloten zonder zitting.

Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar India, aangezien hij bijna drie maanden in bewaring zit zonder enige reactie op zijn lp-aanvraag of rappels. Hij stelde dat zijn belangen bij invrijheidstelling zwaarder wegen, omdat hij probeert een verblijfsvergunning te verkrijgen om bij zijn minderjarige Nederlandse kind te verblijven. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat er geen zicht op uitzetting is. De Indiase autoriteiten hebben nog niet gereageerd, maar dit betekent niet dat zij niet binnen afzienbare tijd een lp aan eiser zullen verstrekken.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is geweest en verklaarde het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35027

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 10 mei 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft op 30 juli 2025 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 5 augustus 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Indiase nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1988.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 mei 2025 [1] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert tegen het voortduren van de maatregel van bewaring aan dat er geen zicht is op uitzetting. Eiser zit inmiddels bijna drie maanden in bewaring, zonder dat enige reactie is ontvangen op de lp [2] -aanvraag of de rappels. Verder stelt eiser dat zijn belangen bij invrijheidstelling zwaarder wegen, omdat hij pogingen doet om een verblijfsvergunning te krijgen voor verblijf bij zijn minderjarige Nederlandse kind.
5. Niet is gebleken dat in zijn algemeenheid of in het specifieke geval van eiser niet kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting. Dat de Indiase autoriteiten nog niet op de lp-aanvraag en de rappels hebben gereageerd maakt dit niet anders. Hieruit blijkt niet dat de Indiase autoriteiten niet binnen afzienbare tijd een lp aan eiser zullen.
6. Ook de stelling dat eiser bij zijn kind in Nederland wil verblijven leidt niet tot het oordeel dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar India ontbreekt. Eiser heeft (nog altijd) niet onderbouwd dat hij daadwerkelijk een aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft ingediend.
7. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 augustus 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.Laissez-passer.