ECLI:NL:RBDHA:2025:14951
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De minister legde op 2 juni 2025 aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank behandelde het beroep op 8 augustus 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank toetste of het voortduren van de maatregel sinds 13 juni 2025 rechtmatig was. Eiser voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko of Algerije, mede omdat hem zou zijn verteld dat hij geen laissez-passer zou krijgen en de Marokkaanse autoriteiten niet hadden gereageerd op de aanvraag. Deze stellingen werden niet onderbouwd en faalden.
Daarnaast stelde eiser dat de minister niet voortvarend handelde, omdat alleen een algemeen rappel was gedaan. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend was, met een vertrekgesprek op 14 juli 2025, een presentatie bij de Algerijnse autoriteiten op 24 juli 2025 en een nog lopende laissez-passer aanvraag.
De rechtbank zag geen rechtmatigheidsgebreken en verklaarde het beroep ongegrond. De bewaring mocht rechtmatig voortduren van 13 juni tot en met 8 augustus 2025. Verzoeken om schadevergoeding en proceskosten werden afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring mag rechtmatig voortduren.