Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank oordeelt dat eiser de minister tijdig in gebreke heeft gesteld en dat het beroep gegrond is.
De minister had zes maanden de tijd om te beslissen, verlengd met negen maanden onder toepassing van WBV 2023/3. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, legt de rechtbank een nadere beslistermijn van 16 weken op, verdeeld in twee periodes van acht weken: eerst voor het horen van eiser, daarna voor het nemen van het besluit.
De rechtbank verbindt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 aan het niet naleven van deze termijn. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €453,50. De uitspraak volgt het 8+8 wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.