De minister van Asiel en Migratie heeft op 13 januari 2025 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser, van Poolse nationaliteit, betwist de maatregel niet inhoudelijk maar stelt dat zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief was beëindigd en dat de maatregel onrechtmatig is.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat hij zijn verblijf in Nederland heeft beëindigd, ondanks zijn stelling dat hij van september 2023 tot augustus 2024 in Polen verbleef. De minister heeft terecht aangenomen dat eiser zijn verblijf niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en dat de maatregel van bewaring daarom gerechtvaardigd is.
Eiser voerde aan dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast, maar de rechtbank stelt vast dat het risico op onttrekking aan toezicht reëel is en dat de minister dit voldoende heeft gemotiveerd. Ook het verwijt dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen bij de uitzetting wordt verworpen, omdat er een vertrekgesprek heeft plaatsgevonden en een laissez-passer aanvraag is verzonden.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.