ECLI:NL:RBDHA:2025:15056
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van staatloosheid van verzoekster van Palestijnse afkomst
Verzoekster, afkomstig uit Syrië en van Palestijnse afkomst, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van haar staatloosheid. Zij verblijft in Nederland en heeft een verblijfsvergunning asiel. Diverse documenten, waaronder een Syrische identiteitskaart en stukken van Palestijnse vluchtelingeninstanties, zijn overgelegd en deels onderzocht.
De rechtbank heeft op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid beoordeeld of verzoekster door enige staat als onderdaan wordt beschouwd. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen als staatloos worden beschouwd. De Syrische nationaliteitswetgeving biedt verzoekster geen grondslag voor het verkrijgen van de Syrische nationaliteit.
De rechtbank concludeert dat verzoekster niet als onderdaan van enige staat kan worden beschouwd en stelt haar staatloosheid vast. Het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd en iedere partij draagt haar eigen kosten.
Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoekster staatloos is en wijst het verzoek tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad af.