Eiser, een Kameroense nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 12 november 2024 een asielaanvraag in. Verweerder wees deze aanvraag op 20 mei 2025 af als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde op 9 juli 2025 het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening.
Eiser stelde dat hij door een gewapende groepering gedwongen werd zich aan te sluiten en later werd bedreigd door het regeringsleger, waardoor hij vreest voor ernstige schade bij terugkeer. Verweerder vond echter dat de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk waren en dat hij onvoldoende bewijs had geleverd, waaronder twijfel over de authenticiteit van het arrestatiebevel.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht onderscheid maakte tussen objectieve en niet-objectieve documenten en dat het tweede en derde asielmotief ongeloofwaardig waren. Ook vond de rechtbank dat verweerder terecht oordeelde dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer, mede omdat er een vestigingsalternatief is in Kameroen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open voor het verzoek om voorlopige voorziening.