ECLI:NL:RBDHA:2025:15189
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens onvoldoende motivering economisch belang en strijd met artikel 8 EVRM
Eiseres kreeg in 2019 een reguliere verblijfsvergunning voor verblijf bij haar gezinslid. Na het verbreken van die relatie trok de minister de vergunning met terugwerkende kracht in op basis van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank vernietigde eerder al een soortgelijk besluit wegens een onjuiste toetsing aan artikel 8 EVRM Pro en onvoldoende motivering van het economisch belang van de staat.
In het bestreden besluit handhaafde de minister de intrekking, stellende dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het gezins- en privéleven van eiseres. De rechtbank oordeelt dat de minister het juiste toetsingskader hanteerde, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het economisch welzijn van Nederland in het geding is, mede omdat de minister niet specifiek inging op de situatie van eiseres, zoals haar mogelijke afhankelijkheid van overheidssteun.
De rechtbank benadrukt dat een belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro een 'fair balance' moet waarborgen en dat de minister niet mag volstaan met algemene motiveringen. Ook de argumenten over het bezetten van een woning en medische behandeling wegen niet zwaar genoeg. De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een zorgvuldige belangenafweging moet worden gemaakt.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het economisch belang.